is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

414

KINQSLEY

moord op de kinderen te Bethlehem (Matth. | 2 : 16—18), door Jozef met Maria en het kindeke naar Egypte te doen vluchten (Matth. 2:13—15). Feitelijk begon voor den Heere Christus met deze houding van Israël tegen Hem, en met deze vervolging door Herodes, zoodat Hij vluchten moest naar Egypte, reeds het lijden. En in dit gedrag van Joden en heidenen kwam aan het licht, hoe in de toekomst deze beide deelen der menschheid zich tegenover Hem stellen zouden. — Op Gods bevel uit Egypte teruggekeerd naar Kanaan, durfde Jozef zich vanwege Archelaüs toch niet in Judea vestigen, maar ging hij naar Nazareth (Matth. 2 : 19—23), het geminachte (Joh. 1 : 47). Dat Jozef juist Nazareth koos, kan ter bevestiging dienen van Lucas' verhaal, dat hij ook tevoren reeds daar gewoond had, ook al heeft Mattheus daarvan geen melding gemaakt. Waarom zou hij anders deze plaats verkoren hebben ?

Van 's Heeren jeugd weten we verder, behalve hetgeen Luc. 2 : 40—52 nog verhaalt, niet af. Hetgeen de apocriefe jeugdevangeliën bevatten, verdient geen geloof, of is geheel onzeker. Jozef en Maria zullen Hem vroeg onderwezen hebben in de Heilige Schrift (vgl. 2 Tim. 3:15). Voorhoever zij een volledige Heilige Schrift (van hét Oude Testament) in eigendom gehad hebben; weten wij niet. Maar de aanschaffing van een Bijbelboek, en inzonderheid van de geheele Heilige Schrift, was toen kostbaar. Hebben Jozef en Maria een Heilige Schrift, öf een deel daarvan, in hun bezit gehad, dan zal onze Heiland, zoodra Hij lezen kon, haar ook zelf ijverig onderzocht hebben, al heeft Hij ook nimmer speciale opleiding ontvangen (Joh. 7 : 15). Toen Hij mede de synagoge kon bezoeken, van Zijn vijfde jaar aan, zal Hij dit getrouw gedaan hebben, en met aandacht opgevangen hebben, wat er uit de Heilige Schrift werd gelezen, en daarover gezegd. En eveneens zal Hij op de school Zich met allèn Ijver toegelegd hebben op de verwerving van kennis der Heilige Schrift en van het rechte inzicht in haren zin.

Dat mag ook afgeleid worden uit wat van Hem door Lucas verhaald wordt, toen Hij op 12-jarigen leeftijd voor het eerst met het Paaschfeest te Jeruzalem was (Luc. 2 : 41—50). Zijn ouders vonden Hem eindelijk in den tempel, gezeten in het midden der leeraren, hen hoorende en hen vragende (vs. 46). En op de vraag van Maria gaf Hij uitdrukking aan Zijn verwondering, omdat zij toch wel weten konden, waar Hij moest zijn, nl. in de dingen, óf in het huis, Zijns Vaders (vs. 49). Die woorden doen zien, waar Hij Innerlijk steeds mee bezig was, en wat Hij zocht. En daaruit kunnen we afleiden, waarop Hij ook thuis Zich toegelegd, en wat Hij nagejaagd heeft. — Het woord: van Mijn Vader (vs. 49), openbaart, dat Hij ook toen reeds wist, tot God in bizondere verhouding te staan, en Hem in bizonderen zin Zijn Vader te mogen noemen. Hij heeft ook toen wel bewustzijn gehad van eigen zondeloosheid. Een en ander heeft Hem, bij Zijn diep inzicht en helder verstand (vgl. Luc. 2 : 47), in verband met de Messiaansche profetieën, en Israëls offerdienst, reeds vroeg eenig besef, en steeds helderder

kennis, gegeven van Zijn Messianiteff en Messiaansche roeping. Maar dienaangaande geeft de Heilige Schrift ons geen duidelijke openbaring.

De Messiaansche arbeid van den Heere Christus begon echter niet eerst met Zijn Doop (Matth. 3 : 13—17 e. a.), maar reeds met Zijn ontvangenis en geboorte. Besnijdenis en voorstelling in den tempel vormen daarin beteekenisvolle momenten. Houding van Joodsche volk en het zoeken van Herodes, zijn reeds de aanvang van wat uitloopt op den kruisdood. Armoede en ellende openbaren den vloek, die om onzer zonden wil reeds toen op Hem drukte. Hij heeft van den beginne aan geweten, Wie Hij was, en bewustzijn gehad van Zijn zending en roeping en toekomst, al is dit allengs helderder geworden, en al kunnen wij de ontwikkeling van Zijn Messiasbewustzijn niet schetsen. Zijn wonderbare ontvangenis en geboorte zelve wijzen het aan. Luc. 2 : 46—49 werpt hier een helderen lichtstraal. Daarom behooren ook die eerste dagen en jaren van onzes Heilands leven op aarde, ZHn jeugd van het eerste oogenblik aan, tot het Evangelie van 's Heeren komst en kruis, die noodig waren voor ons heil, en waarin Hij onze verzoening en behoudenis bewerkte. Zij vormen het Evangelie Zijner kindsheid. [ 7.

Kingsley (Charles), geboren 21 Juni 1819, te Holne in Zuid-Engeland, overleden te Eversley 23 Januari 1875, was de afstammeling van een oud Engelsch geslacht uit Cheshire, de Kingsley's van Kingsley of King's Lea in het woud van Delamare, hetwelk gedurende den burgeroorlog zijn trouw aan de zaak van het Parlement herhaaldelijk bloedig heeft moeten bezegelen. Zijn vader, eerst predikant te Holne, aan de Zuidelijke grens van Dartmoor, verwisselde zijn standplaats, ongeveer 1829, met de schilderachtige omgeving van Devonshire. De vijf of zes jaar, die de dichterlijke knaap met zijn fijn natuurgevoel, zijn levendige verbeelding, zijn liefde voor hetgeen grootsch, indrukwekkend en krachtig is daar doorbracht, hebben ongetwijfeld een belangrijken invloed op de ontwikkeling van zijn gemoed en verbeelding uitgeoefend. Zijn beschrijving van de rotsen van Clovelly (in zijn roman: Naar het Westen) was volgens eigen verklaring niets anders dan een teruggeven, en in beeld brengen van hetgeen de 15-jarige knaap destijds reeds gevoeld had. Na onder de leiding van de Rev. Derwent Coleridge de voorbereidende studiën voltooid te hebben, bezocht hij het Kingscollege en het Magdalena-college te Cambridge, en wijdde hij zich in 1842, na eenige aarzeling tusschen de balie en de kerk, aan den geestelijken stand. Spoedig daarna vestigde Kingsley zich met zijn jeugdige echtgenoote in de predikantswoning te Eversley, en van dien tijd, tot aan zijn dood bleef Eversley zijn werkelijk tehuis: „het bekoorlijkste tehuis, dat God ooit aan een onwaardig mensch kon geven", zei hij. In 1860 werd hij hoogleeraar in de nieuwere geschiedenis te Cambridge, in 1869 canonicus van Chester, in 1873 van Westminster. Kingsley behoort tot de merkwaardigste en beroemdste mannen van den kleinen kring, die zich aan de zijde van Maurice geschaard had. Hun met opzet gekozen naam: Christen-socialist, was een getuigenis aan Christen