is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

416

KIRJATHAIM — KIS

een concilie bij gehouden te Jeruzalem. Ook in I den tijd der kruistochten zetelde hier, slechts voor korten tijd, een bisschop. In de Grieksche kerk bestaat thans nog de titel van bisschop van Petra, waarmede Kerak wordt bedoeld; de bisschop woont echter te Jeruzalem. Kir-Moab beheerschte den handelsweg van Egypte naar ArabiC en Syrië. Met groote moeite heeft Saladin de stad veroverd op Rainold van Chatillon. Voor den oorlog was het een zetel van de Turksche regeering, die er een vr|j aanzienlijk garnizoen had gelegerd. De tarwe hier verbouwd wordt door kooplieden opgekocht, per zeilboot over de Doode Zee naar Jericho vervoerd en dan verder op naar het binnenland. Van el-Kerak kan men een geweldig uitzicht genieten, 't Ligt 1026 M. boven zee. Voor zich heeft men de Doode Zee met het schiereiland Lisan; daarover' heen kan men onderscheiden ên-Dschidi, daarachter Noordwaarts Bethlehem en zelfs de torens bij Jeruzalem op den Olijfberg. Een vierde ongeveer van de inwoners der stad zijn Christenen. De nabijheid van den weg en lijn naar Mekka bevorderen den handel van de gastvrije inwoners, die veel handel drijven met de Bedoeïenen van de woestijn" en in gebruiken, taal en kleeding veel met dezen overeenkomen. [ 8.

Kirjathaïm, de naam wijst reeds door zijn dualisvorm aan dat zij een dubbelstad is. Zij wordt het eerst genoemd in Gen. 14 : 5: Kedorlaomer en zijn bondgenooten kwamen en sloegen de Rafaïeten in de vlakte van Kirjathaïm. Later kwam de stad aan den koning der Moabieten, die haar weer moest afstaan aan de Amorieten. Maar bij de verovering van hun gebied door de kinderen Israëls kwam ook Kirjathaïm aan hen en werd ten erfdeel aan Ruben toegewezen (Num. 21 : 27—30; 32 : 37; Joz. 13 : 19). Later kwam de stad weer in het bezit van Moab. Mesa deelt mede op de bekende zuil: En ik bouwde Kirjathen = Kirjathaïm. Het wordt aldaar genoemd met Medeba en Kerijjoth (Jer. 48 : 24). |

In Jozua 21 : 33 en 34 wordt Kartan met haar weidegrond genoemd en aangewezen tot een priester- en levietenstad en behoort dan tot Naftali. Dit is het Kirjathaïm van 1 Kron. 6:76, alwaar de Leidsche Vertaling ook Kartan heeft. [ 8.

Kirjath-Arba. Dit is volgens Joz. 14 : 15 de oudere naam van Hebron: de stad van Arba, van wien gezegd wordt, dat hij „een groot mensch geweest is onder de Enakieten", de vóór-Kanaanietische oerbevolking van Kanaan. Zoo ook Joz. 15 : 13, 21 : 11, vgl. Gen. 23 : 2, Joz. 20 : 7. In Gen. 35 : 27 wordt Kirjath-Arba verklaard als „de stad van de vier", waarmede misschien Abraham en zijn drie vrienden Mamre, Aner en Eskol bedoeld worden. Evenzoo Neh. 11 : 25. [ 3.

Kirjath-Jearim. Deze plaats moet gelegen hebben op de Westelijke grens van Benjamin, waar deze die van Juda raakt. Uit 1 Sam. 6: 21 blijkt, dat ze dicht bij Beth-Semes moet gezocht worden; dus op de veelpuntige, met bosch begroeide hooglanden, die op het dal van Sorek neerzien en waaraan ze haar naam (bosschenstaó) dankt. Met eenige waarschijnlijkheid is ze teruggevonden in het huidige Churbeth 'Erma, op de Zuidelijke helling van het Jearfmgebergte.

De stad heeft langen tijd deel uitgemaakt van den vijfstedenbond, waarvan Gibeon de leiding had (Joz. 9 : 17). Op haar terugkeer naar Israël heeft de ark hier gedurende het leven van Samuël en Saul vertoefd in het huis van Abinadab (1 Sam. 7 : 1; 2 Sam. 6 : 3 v.). Aan dat langdurige verblijf der ark heeft de plaats: haar tweeden naam te danken van Kirjath-Baal of Kirjath-Baal-Jehoeda, d. i. de stad van den Heer (van Juda), welke naam oudtijds zonder meer aan Israëls God gegeven werd om Hem aan te duiden als den Heer en Behoeder van het land zijns volks. (Joz. 15 : 60; 18 : 14; 2 Sam. 6:2 moet BaSl Jenoeda gelezen worden in plaats van Baalim-Jehoeda, dat hier geen zin geeft). Dezen tweeden naam kreeg ze te gereeder, daar ze ook reeds bekend stond als BaSla (Joz. 15 : 9—11; 1 Kron. 13 : 6). [3.

Kirjath-Seier. Kirjath-Sefer (= boekenstad; de Grieksche vertaling van het Oude Testament heeft Kirjath-Sofer, „geleerdenstad") is blijkens Joz. 15 : 15 de oude naam van het latere Debir. De naam komt ook voor op een papyrus uit den tijd van Ramses II, uit ongeveer 1250 v. Chr. Een andere naam is blijkens Joz. 15:49 Kirjath-Sanna, dat men gewoonlijk voor „palmstad" verklaart, maar zonder eenigen grond. De stad mag waarschijnlijk wel met het huidige ed-Daharijje geïdentificeerd worden, dat ongeveer 18 K.M. ten Zuid-Westen van Hebron ligt. I 3.

Kis, de vader van koning Saul, stamde uit Benjamin en wel uit het geslacht Matri (1 Sam. 10 : 21). Naar 1 Sam. 9 : 1; 14 : 50 en 51 was hij een zoon van Abiël en een broeder van Ner, den vader van Ner. Hij was afkomstig van Zela, een stad in Benjamin, alwaar de beenderen van zijn- zoon Saul in het familiegraf werden begraven (2 Sam. 21 : 14), doch hij was verhuisd naar Oibea (1 Sam. 10:13 en 26; 11:4; 15 :34), 't welk dan ook de woonplaats was van Saul, en genoemd Gibea-Sauls (1 Sam. 11 : 4). Nu is een moeilijkheid dat de familierelaties in 1 Kron.

8 : 29—33 en 9 : 35—39 anders worden opgegeven. De kantteekening zegt bij 1 Sam. 9 : 1, alwaar Kis wordt genoemd een zoon van Abiël: anders Ner, en verwijst dan naar 1 Kron. 8:33;

9 : 39. Bij 1 Kron. 8 : 33 wordt dan weer eenvoudig verwezen naar T Sam. 9 : 1 met de woorden: anders Abiël. Nu staat er in 1 Kron. 9 : 36: En Abdon was zijn eerstgeboren zoon, daarna Zur en Kis en Baal en Ner en Nadab. De kantteekening zegt daarvan eenvoudig: Niet de vader van Abner, maar eenen anderen Ner, want dezen en is niet geweest de vader van Kis, maar zijn broeder (1 Sam. 14 : 50, 51). In deze laatste plaats lezen wij: en Kis was Sauls vader, en Ner, Abners vader, was een zoon van Abiël; hierbij wordt dan eenvoudig aangeteekend: Hij wordt Ner genoemd. Uit Trommius blijkt dat hij van meening is, dat in 1 Kron. 8 : 30 ën 9 : 36 een andere persoon bedoeld is onderden naam van Kis dan de vader van Saul. Dit berust op een vergissing. De beide opgaven, die uit de boeken Samuel en Kronieken, stemmen voor het overige overeen. Daarom hebben sommigen gemeend dat gelezen moet worden in 1 Kron. 8 : 33 en 9 : 39 in plaats van: Ner nu

| gewon Kis: Ner nu gewon Abner. In 1 Kron.