is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

446

KLOKKENBERG

eeuwen in hetzelfde geslacht voort, waar het vakgeheim der familie bewaard bleef. Zoo hebben hier te lande van de XVe tot het einde der XVIIIe eeuw geleefd en' gewerkt de klokkengietersgeslachten van Wou, van Trier, Moer, Wegewaert, Butendiic, Hemony, de Grave, Haverkamp en vele andere. Centra van klokkengieters waren Utrecht, Delft, Kam pen en 's Hertogenbosch.

De oudste klokken bevatten geen opschriften; in de Xlle eeuw begon men ze van opschriften te voorzien, die spoedig algemeen werden. Ze waren meestal in 't Latijn gesteld, hoewel ook meermalen — vooral na de Hervorming — de landstaal gebezigd werd. Zeer dikwijls kwam op de klokken voor de spreuk: „Vivos voco, mortuos plango, vulgura frango" (De levenden roep ik, de dooden beween ik, de bliksemen breek ik) en voorts de naam van den heilige, aan wien de klok was gewijd. Ook werd veeltijds het beeld van dien heilige en reliëf er op aangebracht, alsmede sierlijk ornamentwerk, dat aan de klok een artistiek karakter verleende.

De zwaarte van de klokken is zeer verschillend ; de grootste, die men in ons land aantreft, wegen om en bij 7000 K.G. De klokspijs bestaat voor ongeveer vier vijfde deel uit koper en voor één vijfde uit tin.

In de Roomsch-Catholieke kerk worden de klokken, om ze voor kerkelijk gebruik geschikt te maken, gewijd; van klokken, die deze wijding niet hebben ondergaan, zijn allerlei legenden in omloop, terwijl ze als een prooi van den duivel worden beschouwd. Daarentegen worden aan gewijde of gedoopte klokken bovennatuurlijke krachten toegeschreven. [ 33.

Klokkenberg (De). Onder invloed van het Reveil had Jonkvrouwe Constance Baronesse Van Lijnden te Nijmegen een gedeelte van haar huis afgestaan voor een bewaarschool, waarmede zij en haar helpers niet alleen beoogden het materiëele lot der kinderen te verbeteren, maar vooral wenschten, door Christelijke liefde gedreven te worden om eenige kinderen te mogen brengen tot Hem, die gezegd heeft: „Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert ze niet". Uit deze bewaarschool is eigenlijk de Klokkenberg geboren, omdat men nu voor de vraag gesteld werd, waar de kinderen na het verlaten der bewaarschool, onderwijs zouden ' kunnen ontvangen in denzelfden geest. Mr J. J. L. van der Brugghen, hierin gesteund door Ds Zubli en Baron Van Lijnden, vonden den heer Gehne, onderwijzer aan de Luthersche Diaconieschool, bereid om de kinderen der Christelijke Bewaarschool op zijn school als leerlingen toe te laten. Zoo werd deze school, aldus gereorganiseerd, den 3den Januari 1842 geopend bij welker aanvang de heer Gehne 's morgens op zijn lessenaar vond een briefje, door Van der Brugghen beschreven met het woord van Nehemia 2 : 20: „God van den hemel, Die zal het ons doen gelukken, en wij, zijne knechten, zullen ons opmaken en bouwen". In hetzelfde jaar vertrok de heer Gehne naar Indië, en besloot de kerkeraad der Luthersche gemeente de Diaconieschool tegen 31 December op te heffen, zoodat Van der Brugghen zich genoodzaakt zag, aan het Gemeentebestuur der

stad Nijmegen het verzoek te richten tot oprichting eener Bijzondere school der le klasse onder den titel van Vervolgschool der Christelijke Bewaarschool. Dit verzoek werd echter van de hand gewezen, evenals het hooger beroep bij Gedeputeerde Staten. Het tweede verzoek aan het Gemeentebestuur onderging hetzelfde lot, maar een tweede beroep bij Gedeputeerden had het gevolg, dat den 2den September 1843 de gevraagde vergunning werd verleend, dank zij den krachtigen steun van Mr J. F. H. J. E. Baron Mackay. In dien tusschentijd had men echter niet stilgezeten. Een huis op den Klokkenberg was reeds aangekocht, en de heer Buvink, die in Nijmegen een Bijzondere school der 2e klasse hield, d.w.z. een school voor eigen rekening, werd bereid gevonden zijn school in het huis op den Klokkenberg over te brengen, en ook aan de kinderen der Luthersche Diaconieschool onderwijs te geven in den door Van der Brugghen gewenschten geest. Zoo kon na opheffing der Diaconieschool den 3den Januari 1843 de nieuwe school van den heer Buvink geopend worden. Toen nu den 2den September 1843 de gevraagde vergunning werd verleend, was het den 6den Mei 1844, dat de eerste Bijzondere school der le klasse in Nederland werd geopend. Van al dit voorbereidende werk was Van der Brugghen de ziel, en toen eenmaal zijn wensch in vervulling was gegaan, bleef daar die sterk persoonlijke band, die hem met de school verbond, en die nog nauwer werd, toen in 1846 de noodzakelijkheid gevoeld werd tot de oprichting eener Normaalschool, waar jonge menschen door een goede en breedere opleiding gevormd konden worden tot onderwijzer. Den 6den Mei 1846 werd de Normaalschool begonnen met 6 leerlingen. Maar toen, behalve uit Nijmegen zelf, de leerlingen niet kwamen, zooals Van der Brugghen zich had voorgesteld, moesten er middelen gevonden worden, om jongelui uit andere plaatsen geheel of gedeeltelijk kosteloos op te leiden. Die middelen werden gevonden, want Van der Brugghen deed niet tevergeefs een beroep op den kring van het Reveil. Aan de sympathie en de belangstelling van dezen kring had hij altijd voor dat werk behoefte gevoeld, en niet alleen aan hun sympathie en belangstelling, ook aan hun critiek. En zoo gaat van hem het plan uit op een der samenkomsten der „Christelijke Vrienden" om een commissie uit hun midden te benoemen om zijn school te bezoeken, waarvoor hij zeide „behoefte te hebben aan een scherpe en oprechte beoordeeling". Zoo komt er bezoek op den Klokkenberg van de heeren Teding van Berkhout, Heldring en Brummelkamp. Hun indruk is van dien aard, dat het verslag, dat zij publiceeren in de Christelijke Stemmen eindigt met deze woorden: „dat het van het hoogste belang mag worden geacht voor de zaak van het Christelijk Schoolonderwijs, wanneer de pogingen der Directie van de kweekschool te Nijmegen met alle krachten door onze mede-Christenen geschraagd worden". Door dit oordeel zich gesteund voelend, besloten Van der Brugghen en Van Lijnden „een rechtstreeksche uitnoodiging te doen uitgaan aan een groot aantal Christenen in ons vaderland, om