is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KNECHT — KNECHT DES HEEREN

455

leven naar voren brengen, welke in den huiselijken kring wordt gemist en waaraan toch het jeugdig hart behoefte gevoelt.

Wat de werkwijze der Knapenvergadering aangaat, zij constitueeren zich als vereenigingen, met dien verstande dat de leider steeds als voorzitter optreedt, terwijl echter voor andere bestuursfuncties, als secretaris, penningmeester en bibliothecaris, de functionarissen door geheel vrije keuze uit de jongens zelf worden aangewezen. De stof die behandeld wordt omvat Gewijde Geschiedenis, Vaderlandsche Geschiedenis en Kerkgeschiedenis, terwijl van tijd tot tijd ook eens een onderwerp uit de Zending behandeld en door een der leden een voordracht (proza of poëzie) gehouden wordt. Ten aanzien van de methode van de behandeling bestaat er tweeërlei inzicht. Sommigen meenen dat de methode ongeveer dezelfde kan zijn als op de Jongelingsvereeniging, zoodat de jongens zelf met behulp van de in het Knapenblad gegeven leidraad een inleiding maken, waarop dan in de vergadering bespreking volgen moet. Anderen daarentegen zien hiertegen zeer ernstige bezwaren. Tot het maken van een inleiding zijn de jongens in den regel niet bekwaam, hun arbeid komt ongeveer neer op het min of meer letterlijk overschrijven van den leidraad of van de daarbij opgegeven bron. En van een ernstige bespreking komt in 't geheel niets. Daarom achten zij het beter — en de leiding van den Bond stuurt ook met beslistheid in deze richting — dat de leider eerst zelf het onderwerp in de vergadering behandelt, en daarna aan een der jongens opdraagt op grond van het gehoorde met behulp van den leidraad een opstel te maken. Deze methode vergt meer inspanning van den leider, maar werpt in de practijk de meeste en de beste vruchten af.

Bij vele Knapenvergaderingen bestaat de gewoonte om éénmaal in het jaar, soms uit zuinigheid om de twee jaar, gezamenlijk een uitstapje te maken. Deze tochtjes binden leiders en jongens nauwer saam en dragen ook bij tot verruiming van den blik van vele jongens.

Van groote beteekenis is ook het Knapenkamp te Ermelo, uitgaande van den Bond voor Gereformeerde Jeugdorganisatie, waar vele jongens in den zomer een week kunnen kampeeren. Het bestaat uit eenige vaste houten gebouwen, met waterleiding en electrisch licht, terwijl de jongens gedurende hun verblijf in groote gemeenschappelijke slaaptenten, onder toezicht van een leider, worden ondergebracht. Dit kamp dat aan vele jongens gelegenheid biedt om een week ontspanning in de frissche natuur te nemen, is tevens uitstekend geschikt om hen aan de organisatie te binden en in het stille avonduur of in een apartje tijdens een tocht voor den leider den weg te openen tot hun hart. [10.

Knecht. In de Heilige Schrift komt dit woord in verschillende beteekenissen voor. Hiermede wordt aangeduid een dienstknecht of slaaf, maar voorts de verhouding van onderworpenheid, waarin men zich tot de overheden en bovenal tot God wist te staan.

In den laatsten zin wordt met het woord knecht ook het geheele volk Israël aangeduid (Jesaja 48 : 30; Lucas 1 : 54) wegens de be¬

stemming van het volk om den Heere te dienen en te gehoorzamen. Maar als aanduiding van de persoonlijke verhouding tot God, worden Mozes en Aaron zoo genoemd; ook de priesters (Ps. 113 : 1). Van ouds hebben zich alzoo ook genoemd de kinderen Gods, om uit te drukken hun ootmoed en eerbied, en hun gewilligheid, om in gehoorzaamheid den Heere te dienen. . In bizonderen zin komt de uitdrukking: .Knecht des Heeren" voor, waaronder de Christus wordt aangekondigd. De profeet Jesaja voorzegt alzoo den Messias (Jesaja 52 : 13; 53 : 11). En in Zacharia 3 : 8 vinden wij wederom den Messias zoo genoemd: .Mijn knecht de Spruite". Deze naam wordt Hem gegeven vanwege zijn gehoorzaamheid, om zich te vernederen tot in den dood des kruises, en door de gehoorzaamheid der wet, voor zijn volk het leven te verwerven. [ 28.

Knecht des Heeren. De uitdrukking .knecht des Heeren" komt in de Schrift voor in verschillende beteekenissen. Met dezen naam (of ook met dien van „knecht Gods") worden genoemd in het algemeen de vromen (Ps. 34:23; 69 : 37; 113 : 1; Jes. 54 : 17; 63 : 17) en in meer specialen zin Godsmannen als Mozes (Ex. 14 : 31), Jozua (Richt. 2 : 8), en de profeten (1 Kon. 14 : 18; 18 : 36 enz.). Ook wordt de benaming gebruikt van het volk Israël (Jes. 41 : 8 v.; 42 : 19; 43 : 10).

In een zeer bijzonderen zin wordt de uitdrukking echter gebezigd in een viertal hoogst belangrijke profetieën (Jes. 42:1—7; 49:1—9a; 50 : 4—9; 52 : 13 -53 : 12). Over de vraag, wie met den hier beschreven Knecht des Heeren wordt bedoeld, loopen de meeningen van ouds uiteen.

In de oude Christelijke kerk en ook later in de Schriftgeloovige theologie was en is men gewoon, mede op grond van het getuigenis van het Nieuwe Testament, rechtstreeks aan den Messias te denken. Ook in de Joodsche theologie heeft de Messiaansche opvatting zoowel in vroegeren als in lateren tijd haar voorstanders gehad. Daarnaast echter bestonden bij de Joden allerlei andere meeningen; en ook op Christelijk erf zijn door de critische theologie verschillende nietMessiaansche verklaringen gegeven.

Zoo is b.v. de door den kamerling gestelde vraag, of de profeet dit misschien van zichzelven zegt (Hand. 8 : 34), door sommigen, speciaal ook in den nieuweren tijd, bevestigend beantwoord (waarbij men dan tegenwoordig niet aan Jesaja, maar aan een lateren auteur denkt). Maar voorts heeft men gedacht aan personen als Uzzia, Hizkia, Josia, Jeremia, Zerubbabel, koning Jojachin, en in den nieuweren tijd ook aan Mozes. Anderen waren of zijn van oordeel, dat de uitdrukking niet ziet op een bepaald persoon, maar op een groep, een collectivum, waarbij de een denkt aan Israël, een ander meer speciaal aan het getrouwe Israël, een derde aan den profetenstand.

Krachtens het getuigenis van het Nieuwe Testament staat voor ons vast, dat de profetieën van den Knecht des Heeren haar vervulling vinden in den Christus (vgl. Matth. 12 : 17—21; Hand. 8 : 35). Nu zou hiermede nog niet perse onvereenigbaar zijn de opvatting, dat met den