is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KOINE

469

dezen laatste in Klein-Azië, Egypte, en op het Perzische rijk in geheel Azië tot den Indus. Daardoor werd het gebruik van het Grieksch over het geheele gebied van Alexanders wereldrijk uitgebreid; welk gebruik stand hield na zijn dood, en zich later zelfs ook Westwaarts doorzette naar Rome. (De apostel Paulus b.v. schreef zijn brief naar Rome niet in het Latijn, maar in het Grieksch. En Clemens van Rome schreef pl.m. 95 n. Chr. van die stad uit, en namens de gemeente aldaar, zijn brief aan de gemeente te Corinthe ook in het Grieksch). Op die wijze ontstond de Koine, het „gemeenschappelijk dialect", dat eeuwen lang gebruikt is, eerst in het Macedonische wereldrijk met zijn deelen, waarin het uiteenviel, en daarna in het Romeinsche wereldrijk.

Deze Koine drong wel niet overal even diep door. In Klein-Azië, waar ook reeds van ouds zich vele Grieken gevestigd hadden in verschillende steden, en dat het dichtst bij Griekenland lag, kreeg zij voller heerschappij, dan in verder afgelegen streken. Maar ook zelfs daar heeft zij de volkstaal en haar gebruik niet geheel verdrongen (Hand. 14 : 11). Te Jeruzalem hield de volksmenigte (vgl. Hand. 21 : 36) zich te meer stil, toen de apostel Paulus haar in het Hebreeuwsch of Arameesch toesprak (Hand. 22:2), doch had zij verwacht, dat hij in het Grieksch tot haar spreken zou. Zij verstond dus het Grieksch, maar had de kennis van haar moedertaal, die zij onderling wel gebruikt zal hebben, niet verloren. Op verschillende plaatsen, voornamelijk op het platte land, zal het gebruik der Koine zich in hoofdzaak beperkt hebben tot het landsbestuur en het leger en het verkeer met die beide, tot het officiëele leven en tot hoogere kringen. Op andere plaatsen en in de steden zal zij algemeener gebezigd zijn. Zij was overal de taal van de wetten, van de administratie, van de wetenschap, van de kunst, enz. In de onderscheiden streken werd zij, hoewel overal in wezen een, toch verschillend uitgesproken, en, naar den beschavingstrap van haar gebruiker, meer of minder correct geschreven. Ook nam zij uit de talen der onderscheiden volken, die haar gebruikten, woorden en zegswijzen over (Perzisch: paradeisos; Egyptisch: papyros; Latijn: centurion; Hebreeuwsch: het aangezicht aannemen; Arameesch: Abba).

Gelijk bij de meeste talen, kunnen en moeten we ook bij haar onderscheiden tusschen schrijftaal of litteratuurtaai, en spreektaal. Deze schrijftaal droeg telkens het karakter van den man, die in haar zijn litteraire producten ten beste gaf. Sommigen streefden zooveel mogelijk naar overeenstemming met het Attisch van Plato en Demosthenes (Atticisten). Anderen schreven gezwollen en bombastisch (Asianisme). Derden hielden zich van dergelijke uitersten vrij. Ook afkomst en nationaliteit van den schrijver lieten ' zich licht in zijn geschriften en taal merken. Afgezien van Atticisme en Asianisme, mogen we tot op zekere hoogte van een vierderlei Koine spreken: de litteratuur-Koine van schrijvers als Polybius, Lucianus, Dio Cassius, e.a.; die van auteurs als Philo en Josephus, die Semieten waren, Joden; de Koine van de Sep-

tuanginta (= Grieksche vertaling van het Oude Testament door de zeventigen) en van andere Grieksche vertalingen der Oud-Testamentische Heilige Schrift, die somtijds een vertaal-Grieksch is, d. w. z. gekenmerkt wordt door expres voor de vertaling gevormde wijzen van uitdrukking, en die ook eenigszins of veelszins een Hebraïseerend stempel draagt; die van de Papyri, het Nieuwe Testament, de Apostolische Vaders, die in groote mate overeenkomt met de spreektaal- Koine.

Het grondelement en hoofdbestanddeel van de Koine is het Attisch, en (denkelijk) wel het spreektaal-Attisch. Daarop heeft inzonderheid ingewerkt het Jonisch. Maar ook droeg het Dorisch bij tot de vorming van de Koine. Voorts komt hierbij nog de invloed van andere talen, niet het minst door het doen opnemen van nieuwe woorden en zegswijzen. Van het Attisch verschilt de Koine door eenigszins andere schrijfwijze van sommige woorden, ook door onderscheid nu en dan in klankleer, door ongelijke declinatie of verbuiging hier en daar, door gewijzigde conjugatie of vervoeging van werkwoorden meermalen, door andere woorden en woordbeteekenissen somtijds, en vooral in de Syntaxis of zinsvorming en zinsverbinding, die veel eenvoudiger, en minder samengesteld is, en eigenaardigheden heeft in congruentie enz.

Het Grieksch van het Nieuwe Testament is ook /forne-Grieksch, spreektaal-/ft>«ie. Het komt overeen met het Grieksch van Papyri, in Egypte gevonden, en dat van Ostraca of scherven, en Inscripties of opschriften, welke men daar en elders heeft opgegraven, en dat het Grieksch blijkt te zijn, hetwelk men in den omgang met elkander gebruikte, dat men sprak, het Grieksch van het gewone verkeer der menschen onderling. A. Deissmann is de eerste, die deze overeenkomst van het Nieuw-Testamentisch Grieksch met dat van Papyri en Ostraca en Inscripties, opgemerkt, en in het licht gesteld heeft. Daardoor zijn vroegere opvattingen van het karakter van het Grieksch van het Nieuwe Testament onjuist gebleken. Sommigen meenden, dat het eigenaardige van het Nieuw-Testamentisch Grieksch verklaard moest worden uit invloed van het Hebreeuwsch (Hebralsten), omdat zijn schrijvers meerendeels Joden waren, die geestelijk gevormd waren door het Oude Testament.

Anderen beweerden, dat het Grieksch van het Nieuwe Testament zuiver Attisch was (Puristen), en zochten, om dat te bewijzen, gelijke en overeenkomstige vormen bij Attische schrijvers. Nog weer anderen meenden, dat de Heilige Geest het Nieuw-Testamentische Grieksch apart gevormd had, om de Nieuw-Testamentische Openbaring daarin te geven. De litteraire heiden minachtte het Grieksch van het Nieuwe Testament als een „schipperstaal". Doch nu is het gebleken het gewone Grieksch der omgangstaal in die dagen geweest te zijn, het spreektaal-Grieksch van het gewone verkeer.

Hierdoor wordt echter de werking van een bizonderen Goddelnken factor niet uitgesloten. Integendeel blijkt die te grooter en wonderbaarder. Vooreerst heeft God den mensch geschapen en hem ook zijn taalaanleg en de taal zelve gegeven.