is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KONINGSCHAP

485

Hizkia en Josia gingen in hunne trouw aan den Jeruzalemschen tempel zoover, dat ze in Juda den offerdienst op de hoogten te keer gingen. Gelijk we bij deze twee Judeesche koningen den hoogsten graad van trouw aantreffen, zoo vinden we in Israël bij Achab den hoogsten graad van ontrouw. Niet alleen, dat hij den cultus van Jerobeam I in stand hield, die — hoewel onwettig — toch altoos bedoelde, den God der vaderen te eeren. Maar hij voerde bovendien, onder invloed zijner vrouw Izebel, den dienst van den Tyrischen BaaU in. Aan den strijd tegen dezen Tyrischen Baai was heel het leven van Elia gewijd, Deze strijd nam hem zoozeer in beslag, dat hij — voorzoover we weten — aan den strijd tegen Jerobeams kalverendienst nooit is toegekomen. Als nu bij Achab aan deze afdwaling op religieus gebied zich de maatschappelijke ongerechtigheid jegens Naboth paart, dan wordt over hem dit oordeel geveld: „Er is toch maar niemand geweest zooals Achab, die zich verkocht had omle doen wat kwaad is in de oogen des Heeren" /l Kon. 21 : 25).

De hoofdindeeling der Koningsboeken is door de historische stof zelve gegeven. Er zijn twee diepe insnijdingen. De eerste wordt gevormd door de scheuring des rijks. De tweede door den ondergang van het rijk Israël. Hierdoor krijgen we een splitsing in drieën. Eerste Hoofddeel: Het vereenigde rijk van Israël en Juda onder David en Salomo (1 Kon. 1—11). Tweede Hoofddeel r Het naast elkaar bestaan der beide rijken (1 Kon. 12—2 Kon. 17). Derde Hoofddeel: Het voortbestaan van Juda na Israëls ondergang (2 Kon. 18—25). [ 23.

Koningschap. We hebben hier te lande een historisch, erfelijk koningschap, in de Grondwet (art. 10) aldus erkend:

„De Kroon der Nederlanden is en blijft opgedragen aan Zijne Majesteit Willem Frederik, Prins van Oranje Nassau, om door Hem en Zijn wettige nakomelingen te worden bezeten erfelijk".

Troonopvolging. Bij de Herziening van 1922 is artikel 14 der Grondwet, ter uitsluiting yan vreemde vorsten van den troon, aldus gewijzigd, dat thans van de nakomelingen van Willem I rechtstreeks alleen de afstammelingen van Koningin Wilhelmina voor troonsopvolging in aanmerking komen. Om de ingewikkelde grondwettelijke regelen voor de opvolging duidelijk te maken, zullen we bijzonder het oog gericht houden op Prinses Juliana. Zij is thans de vermoedelijke erfgenaam van de Kroon. Voor haar opvolging gelden, daar zij inzake de troonopvolging evenals Koningin Wilhelmina als hoofd van een nieuw Stamhuis wordt beschouwd, dezelfde regelen als voor de erfopvolging van Koning Willem I.

Zoo zullen dus allereerst haar zonen en mannelijke uit mannen geboren nakomelingen voor opvolging In aanmerking komen. Zulks met inachtneming van de regels van eerstgeboorterecht en representatie (de kinderen treden in de plaats van de ouders).

Ontbreken de op deze wijze aangewezen zonen en 'kleinzonen, dan komen haar dochters met recht van eerstgeboorte in aanmerking. Ontbreken ook deze, dan achtereenvolgens haar klein¬

dochters uit overleden zoons, haar kleinzoons uit overleden dochters, en haar kleindochters uit overleden dochters met inachtneming van het eerstgeboorterecht.

Ontbreken ook alle dezen, dan komen de bloedverwanten, die in de lijn van afstamming van Koningin Wilhelmina de Prinses — dan Koningin — het naast, doch niet verder dan in den derden graad bestaan, voor haar opvolging in aanmerking, waarbij de man boven de vrouw en de eerstgeborene boven de(n) jongere den voorrang heeft.

Voor de Prinses — dan Koningin — beteekent dit, dat dan bepaalde achterkleinkinderen tot haar opvolging kunnen worden geroepen. Bij Ontstentenis ook van dezen kan gezegd worden, dat er „vooruitzicht bestaat, dat geen bevoegde opvolger naar de Grondwet aanwezig zal zijn". Dan „kan deze worden benoemd bij een wet, waarvan het ontwerp" door de regeerende Koningin „wordt voorgedragen". Ook wanneer bij overlijden der Koningin geen bevoegde opvólger naar de Grondwet bestaat, worden de StatenGeneraal in dubbelen getale bijeengeroepen, om de opvolging in het Koningschap te verzekeren.

De hier met toepassing op Prinses Juliana, die vermoedelijk Koningin Wilhelmina op den troon zal opvolgen, aangegeven bepalingen, gelden uiteraard behalve voor haar beiden, ook voor latere dragers der Kroon.

Voor de erfopvolging zoo voor zichzelve als voor hunne nakomelingen zijn uitgesloten alle kinderen, geboren uit een huwelijk aangegaan door een Koning of een Koningin buiten gemeen overleg met de Staten-Generaal, of door een Prins of Prinses van het regeerend Stamhuis buiten bij de wet verleende toestemming. Zoodanig huwelijk aangaande, doet een Koningin afstand van, en verliest een Prinses haar recht op de Kroon (art. 17 Grondwet). Zulks ter wering van vreemde invloeden, evenals de bepaling, dat de Koning (in de taal der Grondwet duidt „de Koning" zoowel de mannelijke als de vrouwelijke dragers der Kroon aan) geen vreemde Kroon kan dragen (art. 2 Grondwet). De oudste van des Konings zonen, of verdere mannelijke nakomelingen, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, is des Konings eerste onderdaan en voert den titel van Prins van Oranje. In verschillende artikelen der Grondwet is thans de dochter van den Koning, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, met den Prins van Oranje gelijkgesteld. Direct na het wegvallen van den Koning bestijgt zijn opvolger den troon en is hij drager van de Kroon. Is de nieuwe Koning meerderjarig (de meerderjarigheid treedt bij achttienjarigen leeftijd van den Koning in), dan aanvaardt hij tegelijk de regeering en wordt zoodra mogelijk plechtig beëedigd en ingehuldigd binnen de stad Amsterdam, in een openbare en vereenigde vergadering der Staten-Generaal.

Daar legt de Koning den eed (of de belofte) af op de Grondwet.

Daarna wordt de Koning gehuldigd door de Staten-Generaal, wier Voorzitter een plechtige verklaring uitspreekt, die vervolgens door hem en elk der leden hoofd voor hoofd beëedigd of bevestigd wordt.