is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KOOR — KOORDERS

493

zonder geld en zonder prijs wijn en melk, hetgeen dan slaat op de goederen des heils, de gewisse weldadigheden van David (Spr. 17:16; 22 : 23; Jes. 55 : 1 v.v.). Aan den Engel der gemeente van Laodicéa moet worden geschreven: Ik raad u, dat gij van Mij koopt goud.... De Heere gebruikt hier een handelsterm, hoewel Hij om niet geeft. Met de beelden die dan worden gebruikt geeft Hij aan het waardevolle en kostbare, schoone en heerlijke, onveranderlijke en blijvende van hetgeen Hij wil schenken (Openb. 3 : 18). Derde van vergelijking is hierbij niet het betalen van een prijs, maar het op wettige wijze deelachtig worden van de goederen des heils, een nieuw hart, reinheid, heilige liefde, erbarming, waarheid. Zoo moeten ook worden verstaan de gelijkenissen van een verborgen schat en van een parel van groote waarde (Matth. 3 : 44 v.v.) [ 8.

Koor. In de Oud-Christelijke basilieken was het koor een afgeperkte ruimte, die voor de zangers en de diakenen bestemd was; aan weerszijden waren „ambonen" of kansels om vandaar de Evangeliën en de Epistels voor te lezen. Het koor was gelegen vóór het Sanctuarium, d. i. de plaats, waar het altaar stond, in de achterste of Oostelijke helft van het middenschip, en dat, verscheidene treden boven den vloer van het schip verheven was.

In den Romaanschen stijl werd het koor geheel naar de Oostzijde van de kerk verschoven; het was steeds vierkant van grondvorm en werd afgesloten door een halfcirkelvormigen uitbouw, apsis genaamd, waarin het altaar stond. Het bevatte aan weerszijden de zitplaatsen voorde geestelijkheid, met het oog waarop het ook den naam draagt van priesterkoor of presbyterium. De overige gedeelten van de kerk waren voor de gemeenteleden bestemd. Dikwijls, vooral bij grootere kerken, werden de zijbeuken van het schip doorgetrokken om het koor heen, waar zij een kooromgang of trans vormden.

In het Gothische tijdperk gaf men aan het koor een nog veel grootere uitbreiding niet alleen in de lengte, maar ook door het te omringen door een krans van kapellen, waardoor aan dit deel van het gebouw een ongekende rijkdom verleend werd. Het koor werd nu niet meer door een halfcirkelvormige, maar door een veelhoekige apsis afgesloten.

Symbolisch en daarom ook architectonisch is het koor het voornaamste deel van het gewijde gebouw. Had de kerk in haar geheel den symbolischen kruisvorm, zoo stelt het koor dat gedeelte van het kruis voor, waartegen op Golgotha het hoofd des Verlossers heeft gerust. Vandaar dat deze ruimte op de luisterrijkste wijze werd uitgedost door weelderige bouwvormen, ingewikkelde en rijk-samengestelde gewelfconstructies, prachtig geschilderde ramen, tapijt- en ornamentwerk en sieradiën. Deze luister wordt nog verhoogd door de kapellen, die het koor omringen gelijk een stralenkrans het hoofd.

Aan het koor werd voorts de beteekenis toegekend van de triumfeerende kerk, terwijl het overige gedeelte van het gebouw de strijdende kerk verbeeldde. Waar nu het koor het dwars-

schip ontmoet, werd een groote boog, de triomfboog aangebracht, die den toegang symboliseerde van de strijdende tot de triumfeerende kerk, en om den indruk van de veelzeggende symboliek nog te verhoogen hing men in vele kerken in den triomfboog een groot kruis of crucifix, de „crux triomphalis", om daardoor zinnebeeldig te verkondigen, dat de toegang tot de triumfeerende kerk alleen door Christus' kruisverdienste wordt verworven. De St. Servaaskerk te Maastricht o.a. geeft daarvan een indrukwekkend voorbeeld.

Bij verscheidene Middeleeuwsche kerken loopt de kerkas niet. recht door, maar heeft zij bij het koor een knik, zooals b.v. bij de Eusebiuskerk te Arnhem, de Groote kerk te Dordrecht en de Oude kerk te Amsterdam. Velen willen daarin een afbeelding zien van het gebogen hoofd van den stervenden Christus. [ 33.

Koorders (Daniël), geboren 12 Augustus 1828 te Maarssen, overleden te Bennekom 26 januari 1869, zich onderscheidende door buitengewone geestesgaven, studeerde op schitterende wijze aan de Utrechtsche Hoogeschool zoowel in de rechten als in de letteren en de theologie. In 1851 gaf een „Utrechtsch burger" in de Avondpost (overgenomen in Vox Studiosorum, 1 October 1891) een typeering van Daantje Koorders als student. „Daan Koorders, van wien niemand begreep, wanneer hij sliep of wanneer hij studeerde, maar die toch de knapste student was van de geheele Hoogeschool, bij al zijn examens met den hoogsten lof slaagde, in drie faculteiten promoveerde of het kinderwerk was, en bovendien nog tal van zweetende medestudenten bij hun studiën adsisteerde. Die kunst verstond alleen Koorders 1 Hij was overal bij! Bij de colleges zoowel als bij de jolen, bij de examens zoowel als bij de kloppartijen, en zijn voorbeeld werkte, helaas, zeer aanstekelijk, want er waren velen, die het hem wilden nadoen, en die daarin ook

bijna in alle opzichten slaagden, behalve bij

de examens I" Maar Koorders was meer dan een joviale kameraad, meer dan een man met een bijzondere werkkracht en kennis; hij was de verpersoonlijking van een streven naar waarheid en bij dat streven ontzag hij niets en niemand. Wanneer zijn studie hem leert, dat men aan de Academie hem een caricatuur heeft gegeven van de beginselen der richting, voorgestaan door Mr. G. Groen van Prinsterer, dan stuift hij op en slingert den professoren verwijten toe, dat zij op hun colleges alleen hun eigen denkbeelden wetenschappelijk juist achten, en door de studenten een goeden blik te onthouden in andere stelsels, te kort doen aan de eischen der objectiviteit en van de collegekamer een manege van stokpaardjes maken." In 1850 richt Koorders met J. J. N. Brouwer den lucifer, Academische Courant op; hij had behoefte aan een eigen orgaan om zich te kunnen uiten. Aanvankelijk is zijn kritiek kalm, al weet hij nu en dan onbarmhartig te striemen, o.a. in zijn artikel over het groenwezen (14 October 1850). Maar in het volgende jaar komt hij voor den dag met de bewering, door Prof. Opzoomer in zijn De Hervorming onzer hoogescholen (1849) geuit, dat er te Utrecht slecht gestudeerd en slecht geleefd werd, en begint hij met een ge-