is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

546

KUYPER

leest, gevoelt zich in het gezelschap van een organiseerend geleerde. En daarom komt hem stellig ook een eereplaats toe onder de coryphaeën der wetenschap. Hij was een koning in het rijk der gedachten, omdat hij met een' stoutheid van conceptie en een veelheid van ideeën, die eerbied afdwingt, niet gerust heeft totdat hij zijn denkbeelden betreffende een alles en allen omvattende levensbeschouwing met de Calvinistische gedachte van de souvereiniteit Gods tot één centraal punt wetenschappelijk had ontwikkeld. Hij was een encyclopaedisch geleerde, voor wien niet zoozeer het détail der zichtbare schepping, als wel de zedelijke wereldorde zelve voorwerp van onderzoek was. En het is wellicht zijn grootste verdienste, dat hij iets van dien zin voor het universeele heeft overgedragen ook op de geringsten naar de wereld onder de volksgroep, wier leider hij was, en dat hij den geestelijken blik veler tienduizenden van de dagelijksche beslommeringen gericht heeft op de groote problemen van leven en dood en van 's menschen verhouding tot God. Met name aan zijn leerlingen schiep hij den echt universitairen zin in om te zoeken naar de geestelijke eenheid der wetenschappen als 't geheim van echte studie.

Voor zoover het wetenschappelijk bedrijf Dr Kuyper aantrok had van meetaf de geschiedenis, en op het geschiedkundig terrein met name de kerkhistorie zijn eerste liefde. En door Calvijn kwam hij tot de studie van het Calvinisme. Dat Calvinisme vertegenwoordigt echter niet uitsluitend een kerkelijke en dogmatische beweging, maar heeft ook aan de politieke samenleving een eigen grondgedachte ondergeschoven. Het is zeer zeker theologisch in oorsprong, maar even beslist ook politiek van aard. Men behoeft dan ook de worsteling onzer oude Calvinisten met de Staatsovermacht, met de Staatschen en met de Dooperschen slechts na te speuren, om aanstonds te ontwaren, hoe ten deze het Calvinisme ook in staatkundigen zin bij de „kleine luyden" van Prins Willem ontwikkeld was. Waar voorts kerk en staat in de opvatting der 16e eeuw zoo innig nauw samenhingen, werd Kuyper reeds door zijn historische studie tot op zekere hoogte ook naar het politiek terrein gelokt. Toch bleef hij voorloopig theoloog zonder meer, en voelde hij nog geen de minste aandrift om wat in de 16e eeuw onze vaderen op politiek gebied bezielde, te doen herleven. Eerst het contact met de dusgenaamde nachtschool deed hem inzien, eenerzijds, dat Religie en Politiek nu eenmaal niet van elkander waren af te scheiden, en anderzijds, dat 1578 in plaats van 1789 als uitgangspunt voor de historisch-politieke lijn moest worden gekozen. Dit bewoog hem toen om de oude Calvinistische politiek weer aan onzen zoo anders geworden tijd aan te, passen. Historisch gaf hü een -grond aan deze politiek in zijn bekende studie: Het Calvinisme, oorsprong en waarborg onzer constitutioneele vrijheden. In Ons Program werkte hij verder de Calvinistische wereldbeschouwing op staatkundig gebied uit. Later ging hij in de Gemeene Gratie daar nog nader op in. Toch begreep hij maar al te goed, dat het hierbij niet blijven kon. Toen hij dan ook het laatste deel van zijn leven vrijwel ge¬

héél aan de Staatkunde kon wijden, en zijn gebrekkig gehoor hem meer in het studeervertrek opsloot, legde hij de beginselen van het Calvinistisch Staatsrecht neer in net magistrale werk zijner grijsheid: Antirevolutionaire Staatkunde. Hij leidde het evenwel in met deze captatio benevolentiae: „Voor mij, als niet-Jurist, was het ondernemen, om ons Calvinistisch volk hier als gidste dienen, ik beken het gaarne, een niet gering waagstuk. Jurist ben ik niet, noch naar aanleg, noch naar studie, en het dubbele doctoraat in de Staatswetenschap en in de Rechten, dat mij honoris causa, het eerste uit Princeton en het tweede uit Leuven gewerd, heeft mij er niet toe gemetamorphoseerd. Ik blijf practisch Staatsman van theologische herkomst. Elk ander merk zou op de studie, die ik thans alleen aan geestverwanten aanbied, evenals eertijds op Ons Program, misplaatst zijn". Juister lijkt het ons intusschen te zeggen, dat Dr Kuyper de kunst verstond om het antirevolutionaire staatsrecht van de wereld der afgetrokken begrippen te isoleeren, en met de beginselen, die in Gods Woord gegeven zijn, in verband te zetten. In een tijd, toen er nog geen volks-universiteiten bestonden, heeft Kuyper jarenlang aan zijn Standaard-lezen een van dag tot dag voortgezetten cursus van theoretisch en practisch Antirevolutionair Staatsrecht gegeven, over Gezag en Vrijheid, Souvereiniteit en Parlement, Defensie en Koloniën, en wat dies meer zij; een Staatsrecht, gebaseerd op de beginselen van Gods Woord, zoodat in den bouw van dat Staatsrecht geen enkele muur, geen enkele zuil omhoog ging, die met het grondvlak niet rustte op die beginselen als fundament.

Aan Kuypers scherpen blik ontging het voorts niet, dat ook het maatschappij-leven moest worden gefundeerd op de beginselen van Gods Woord. Reeds ten platten lande had hij als predikant uit eigen aanschouwing de overtuiging gewonnen, dat de verhouding tusschen landheeren en landarbeiders niet deugde. In de Betuwe is hij democraat geworden. Toen bij hu kort daarna kennis maakte met onze hoogere en lagere standen onder de Christenen, poogde hij, zelf uit den middenstand opgekomen, de eene hand naar boven, de andere naar beneden reikende, beide standen met elkaar te verzoenen. Zoo bracht hij Da Costa's woord in praktijk: „Toenaad'ring eischt Gods orde en dezer tijden nood". Meer dan iemand deed hij om ons volk los te rukken uit zijn onaandoenlijkheid jegens het sociale vraagstuk. Hij wees op het verband tusschen de Arbeiderskwestie en de Kerk. Hij legde den vinger op de bloedende wondeplek in ons maatschappelijk leven, en nam tegenover de oplossing door Revolutie positie in den weg van Reformatie. Hij opende de oogen voor sociale misstanden en toornde tegen een ieder, die

meende deze euvelen te kunnen genezen door •• den dienst der barmhartigheid, alsof onze stoere arbeiders paupers waren, die men door uitdeeling van söepkaarten kon sussen. De geleerde denker plaatste zich midden onder het zwoegende volk met de vereelte handen. Als hunner één hief hij de leus der sociale gerechtigheid op: de arbeider was óók een mensch,