is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

558

LABAN

tot dezen reformatorischen arbeid bad geroepen. Toch gaf hij zich over aan een heilige passiviteit. Eens viel hij voor de oogen van zijn ordebroeders in zwijm. Den 17den April 1639 werd hij dan ook wegens zijn gezondheids-toestand officieel uit de orde ontslagen.

Weldra trad hij nu als reformatie-prediker in de Roomsche kerk op. Hij maande tot bekeering en tevensvernieuwing. Een groote toeloop van menschen was het gevolg van zijn vurigen bekeeringsij ver. Een aanklacht over heresie werd door hem ontzenuwd. Te Parijs, waar hij in den clerus werd opgenomèn, vond zijn innige, mystieke prediking geweldig ingang en zelfs Richelieu, de beroemde kardinaal, werd voor hem gewonnen. Ook te Amiens trok hij groote scharen van volk en koning Lodewijk de dertiende, die hier een tijdlang vertoefde, hoorde hem gaarne. De naam van Jezus Christus stond in het middelpunt van zijn prediking. Maar al meer werd het gerucht, dat hij a la Huguenotte preekte, verspreid. Na den dood van Richelieu, onder diens opvolger Mazarin, vluchtte hij nu naar het Zuiden van Frankrijk. Hier maakte hij kennis met de werken van Calvijn, waarop hij besloot tot de Gereformeerde kerk over te gaan en wel op den 16den October 1650. Eerst werd hij nu predikant te Montauban, waar hij door zijn zielszorg en prediking veler harten won (1652). Ook trad hij als hoogleeraar aan de Universiteit aldaar op. Maar weldra beschouwde hij eveneens de Gereformeerde kerk als een gedeformeerde kerk. Als een nieuwe Calvijn- trad hij tegen allerlei roepende zonden op en werkelijk niet zonder vrucht. Ondertusschen verschenen tal van geschriften van zijn hand. Christus was hem meer sanctificateur dan justiflcateur. In Juni 1656 moest Labadie Montauban verlaten; hij trok naar Oranje. Reeds was hij echter in 1659 naar Londen op reis, toen men hem op zijn doortocht door Genève in de oude stad van Calvijn als prediker begeerde en weigerde hem te laten gaan. Ook hier ontplooide hij sedert zijn onmiskenbaar groote gaven. De kerken konden de scharen niet bevatten en Genève werd opnieuw de Godsstad van voorheen. Jonge vrienden sloten zich hier bij hem aan, zooals Pierre Yvon en anderen. Ook Friedrich Spanheim. Onderwijl kwamen zijn talrijke geschriften ook in de Nederlanden. Dank zij den grooten invloed van Voetius, Lodenstein en Anna Maria van Schurman, den bekenden Utrechtschen kring, werd Labadie nu bij de Waalsche kerk te Middelburg tot predikant beroepen (1666). Gaarne kwam hij in de stad van Willem Teellinck. Ook in Nederland werd hij met enthousiasme begroet. Maar ook te Middelburg trad hij weldra reformeerend op. Zijn heerschzucht en overdreven fanatisme verdonkerden echter zijn groote welsprekendheid en geniale talenten. Hij ijverde voor scherpe tucht, zelfdood ing, meditatie en contemplatie en riep hier conventikelen en de oude prophetieën in het leven. Evenals Koelman was hij tegen de liturgiegebeden. Uit zijn geschriften, vooral uit die van 1668, bleek, dat hij een voorstander was van een kerk, die louter uit wedergeborenen zou bestaan en een aanhanger was van zuiver quietistische mystiek. Zoo wekte hij bij veel bewondering,

ook veler antipathie en haat. Zijn independentisme werd gelaakt. In 1668 werd Labadie dan ook gesuspendeerd, waarop in 1669 zijn afzetting volgde. Dit leidde tot een schisma. Ook de kerkeraadsleden werden geschorst en afgezet. Zoo leed dus Labadie èn in de Roomsche èn in de Gereformeerde kerk met zijn reformatie-pogingen jammerlijk schipbreuk. Alleen in separatie zag hij nu nog heil en velen bleven den geliefden prediker (nu martelaar) getrouw. Uit Middelburg verdreven, werd Labadie in de stad Vere met open armen ontvangen (1669), maar een burgeroorlog vreezende, ^ verliet hij weidra Vere en kwam den 31sten Augustus 1669 met Yvon en vele anderen te Amsterdam aan, waar hij in den burgemeester Koenraad van Beuningen een vriend en beschermer vond. Hier legde hij zich toe op het vormen yan zoogenaamde huisgemeenten, klooster-achtig ingericht. Yvon en anderen wonnen overal zieltjes voor de nieuwe kerk. Anna Maria van Schurman woonde bij Labadie in. Maar nu ontstond tegen dezen een felle pennestrijd, waaraan niemand minder dan Voetius deelnam. Zelfs Koelman werd nu een van zijn felste bestrijders. Maar velen sloten zich bij Labadie aan, zooals de drie freules Aerssen van Sommelsdijk.

Ondertusschen werd de eerst zoo gastvrije stad onhoudbaar en trok Labadie met tal van volgelingen uit Amsterdam naar Herford in Westfalen, waar Elisabeth, prinses van de Pfalts, dochter van den winter-koning, den labadisten huisvesting en bescherming bood (1670). Hier kwam men tot gemeenschap van goederen, en tot een nieuwe opvatting van het huwelijk. De kinderdoop als zoodanig werd afgeschaft. Hier ontplooiden zich het eigenaardig gebedsleven en de contemplatie. Maar in 1672 moest men al weer wijken. Als bij toeval kwamen ze te Altona in Denemarken aan. Hier overleed Jean de Labadie juist op zijn 64sten verjaardag, dus op 13 Februari 1674. In alle stilte werd zijn lijk door zijn vrienden achter hun woningen in het veld begraven.

De Labadie was ongetwijfeld een geleerd theoloog, een welsprekend homileet, een innig mysticus, een man van groote beteekenis. Zijn heftige, opvliegende natuur en onverzettelijke wil maakten hem tot een fanaticus. Den een was hij te leerstellig, den ander te kloosterlijk, den derde te weinig profetisch. Enkele van zijn vele geschriften zijn: La réformation dé l'église par lepastorat (1667); Manuel depiété (1668), enz.

De labadisten vestigden zich later (1675) op Walta-state te Wieuwerd, een nederig dorpje in Friesland, in het zoogenaamde „labadistenklooster". Het kerk-begrip van Labadie was donatistisch gekleurd; de kerk moet zijn „remplie de gens élus, de gens sauvés". Zijn mystiek was gevaarlijk; hij sprak van een „absorption en Dieu", een „sainte perte de soi en Dieu", een „engouffrement en Dieu". Extatische verschijnselen waren in zijn kring niet vreemd.

Jean de Labadie was een vreemd verschijnsel in onze vaderlandsche Gereformeerde kerk. [ 18.

Laban (= „wit") is blijkens Genesis 22: 22 v., 24 : 15, 24, 47, 50, 25 : 20, 28 : 2, 5 een zoon van Bethuël, den zoon van Nahor. In Gen 29:5 moet „zoon" verstaan worden in den zin van