is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

562 LAFONTAINE

broeder Jules Garnier, die 60 jaren als zendeling werkzaam was en voortreffelijk de talen der Huronen en Irokeezen sprak. Toegerust met de kennis, die gegrond was op waarneming en studie, was hij in staat zijn beroemd werk te schrijven: Moeurs des Sauvages Americains, comparées atut moeurs des premiers temps. (Paris 1724). Van dit boek verscheen in 1731 te 's-Gravenhage een Hollandsche vertaling: De, zeden der wilden in Amerika. Dit werk is alleerst merkwaardig, wijl Lafiteau meerdere waardeering voor de natuurvolken bepleit. Hij schrijft: „Ik heb met het uiterste ongenoegen in de meeste verhalen gezien, dat diegenen, die van de zeden der woeste volken geschreven hadden, ons dezelve hebben afgeschilderd als luiden, die geen gevoelen ter wereld van godsdienst hadden; ais luiden, die noch wetten, noch uiterlijke beschaving, noch gedaante van regeering bezaten; met één woord als luiden, die bijna niets van een mensch hadden als de gedaante. Men gewent zich zoo om een denkbeeld te maken van wilde en woeste menschen, dat weinig onderscheid tusschen hén en de beesten maakt". Dit is een merkwaardige toon in een tijd, toen men voor de natuurvolken een soortgelijke belangstelling had als voor de rariteiten in een museum.

Evenwel, Lafiteau deed meer, dan opwekken tot meerdere waardeering. Hij is de grondlegger van de wetenschap der volkenkunde geworden, door de toepassing van de volgende beginselen:

1°. Critisch te staan tegenover berichten, die niet steunen op langdurige waarneming. Zoo wijst hij allerlei meeningen af bijv. over het bestaan van zonderlinge volken; zoo betwijfelt hij de mogelijkheid van een ras der acephalen (hoofdelooze menschen).

2*. De primitieve volkeren worden vergeleken met de volken der oudheid. Zoo bespreekt hij bij het scalpeeren der Irokeezen ook die gewoonte bij de Scythen en wijst hij op de merkwaardige mededeeling in 2 Macc. 7:7 waar men leest bij de gruwelijke wreedheid van Antiochus begaan aan zeven broeders, omdat zij geen varkensvleesch

wilden eten: „en het vel van het hoofd met

het haar rondom afgetrokken hebbende".

Zoo is Lafiteau een merkwaardige figuur in de geschiedenis der volkenkunde. „In de 18e eeuw was van ethnologie, van systematische theoretische studie der primitieve menschheid eenvoudig geen sprake, met de enkele roemrijke uitzondering van Lafiteau, die reeds in 1724 de zeden en voorstellingen der Indianen van Canada met die van andere volken vergeleek en bijv. de eigenaardigheid van hun huwelijksrecht opmerkte." (S. R. Steinmetz. De studie der Volkenkunde, bl. 19).

Maar Lafiteau heeft nog meer gedaan. Voor hem was de leer van Schepping en Zondeval uitgangspunt bij het verklaren van den godsdienst en de zeden der natuurvolken. Zoo beproeft hij in de oude verhalen van de Irokeezen de elementen aan te toonen van den boom der kennis, des goeds en des kwaads; van de verleiding door een vrouw; van den broedermoordenaar Kain. Wel is hij in zijn redeneering naar onze opvatting soms naïef; maar zijn boek is zeer belangwekkend en behoort tot de beste werken over volkenkunde. [ 39.

— LAGARDE

Laf ontaine (Jean de), (geboren te ChateauThierry 1621; gestorven te Parijs 1695). Van Lafontaine's leven valt niet veel anders te vertelien dan dat hij een zorgeloos, naïef-egoïstisch man was, die zich van zijn gezin totaal niets aantrok; dat hij onderhouden is door schatrijke menschen (Fouquet, de hertogin de Bouillon, e.a.), welke zijn gezelschap zochten om zijn buitengewone geestigheid en zich vermaakten met zijn verstrooidheid; en dat hij eerst op rijperen leeftijd is begonnen te schrijven.

Lafontaine neemt het leven niet „au sérieux". Hij staat, om zoo te zeggen, aan den zelfkant van het leven; met een droomerigen blik en een ironischen glimlach aanschouwt hij het, en ziet het in zijn'bonte verscheidenheid, met al wat er zots in is, voorbijtrekken. In zijn wereldberoemde fabels treedt die geesteshouding duidelijk aan het licht. De inhoud dezer fabels heeft niets oorspronkelijks: ze vertellen dingen die sedert

Onheugelijke tijden tot de volkspoëzie van bijna alle natiën behooren, en die reeds door iEsopus en Phaedrus bij de litteratuur ingelijfd zijn. Wat bij Lafontaine superieur is, is de manier waaróp hij ze vertelt. Hij weet van de meest eenvoudige gegevens onovertroffen en onovertrefbare meesterwerken te maken: Le vieillard et les trois jeunes hommes, Le chêne et le roseau, Le rat qüt s' est retiré du monde, Les obsèques de la lionne en zoovele andere. De moraal dezer fabels is een practische levensles, soms ietwat cynisch, maar meestentijds alleszins behartigenswaardig. Behalve zijn fabels heeft Lafontaine ook berijmde vertellingen, Contes, geschreven die, meerendeels ontleend aan de Decamerone van Boccacio, in hooge mate onzedelijk van inhoudzijn. De Roomsche kerk heeft hem genoodzaakt, ze te herroepen, zonder dat het hem duidelijk was waarom dat noodig was. Tegen het einde van zijn leven schijnt hij evenwel tot een diep inzicht van zijn zouden te zijn gekomen. In een brief, gericht aan een zijner beschermers, De Maucroix, doet hij daaromtrent ontroerende uitingen: „O mon cherl mourir n'estrien: mais songes-tu que je dois comparaitre devant Dieu ? Tu sais comment j'ai vécu". En in den laatsten brief, dien men van hem heeft, schrijft hij hoopvol: „Ook de rechtvaardigsten hebben de barmhartigheid Gods van noode. Bouw daarop uw hechtste vertrouwen en vergeet niet dat Hij de Vader aller ontfermingen is en de God der volkomen vertroosting. Roep Hem van ganscher harte aan. Als gij weer gezond zijt, kom dan uw overige levensdagen bij mij slijten en wij zullen dikwijls spreken over Gods goedertierenheden".

De beste uitgave van Lafontaine's werken is die van H. Régnier in La Collection des Grands Ecrivains (Hachette, 1892). Edmond Pilon geeft in zijn Lafontaine (Pion, Paris) een geheel volledige bibliografie. [ 50.

Lagarde (Paul Anton de) (1827—1891), was een groot Duitsch geleerde, arbeidde op verschillende plaatsen, na 1869 als hoogleeraar te Göttingen. Hij was een beroemd kenner der Oostersche talen, ontcijferde vele handschriften, zulks in de eerste plaats met de bedoeling een goede uitgave te geven van de Septuaginta, een plan, dat hij niet heeft kunnen volvoeren.

562