is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

564

LAMAISME — LAMARCK

sing van Zijn volk uit de macht des Satans.

Opmerkelijk is dat de apostel Johannes in zijn Openbaringen Christus ook in Zijn verheerlijking aanschouwt als het Lam Gods (Openb. 6:1; 7 : 14, 17; 13 : 8). Deze uitdrukking „Lam Gods" is voorzeker de tegenhanger van den naam : „de Leeuw uit Juda's stam (Openb. 5). Het geduldig lijdende Lam is ook van groote kracht die Hij betoont in het regeeren van Zijn volk, en het heerschen over Zijn vijanden. [ 28.

Lamaïsme. Het Buddhisme is doorgedrongen niet slechts In China, Japan en Korea, maar ook in Tibet, waar het tot een zeer groote ontwikkeling kwam en de op laag peil van cultuur staande stammen, die deze door hooggebergten omsloten gebieden bewoonden, tot hooger beschaving bracht. Oorspronkelijk waren deze stammen, het volk der Bod, aan het Schamanisme overgegeven, tevens aanbidders van den hemel, evenals de Mongolen, waarmee zij verwant zijn. Doch met het binnendringen van het Buddhisme uit Voor-Indië verkregen zij ook een hooger cultuur. In de 7e eeuw werd het Buddhisme er heerschende godsdienst door den invloed van den gezaghebber Srongtsan Gampo, die pl.m. 650 regeerde en de later heilige stad Lhassa tot zijn residentie verhief. Zij n minister Thumi Sambhotha was zelve in Indië geweest en wordt genoemd als de invoerder van het Tibetaansche schrift. Het Schamanisme gaf voor deze invoering van het Buddhisme geen moeilijkheid. De eigenlijke doorwerking van het Buddhisme in Tibet, kwam echter eerst door het Lamaïsme tot stand. Lama is onder deze stammen het woord voor priester. De Buddhistische monniken namen te midden van het cultureel lager staande volk een meer ambtelijke priesterlijke positie in, zoodat zij een soort van hiërarchie vormden. Daardoor onderscheidt zich dit Tibetaansch Buddhisme dan ook van het oorspronkelijke Indische. Ook hier Ontstond er een worsteling om de macht tusschen de religieuse en de politieke machten, die er mede eindigde, dat de hooge Lama's de Chans als hunne mandatarissen beschouwden. Evenals in de middeleeuwen de pausen zichzelven als de zon en de koningen als de maan waardeerden, zoo hield ook in Tibet de priesterschap zich voor de hoofdmacht en overheerschte het land.

Een Tibetaansch hervormer was Sunkaba (ook wel Tsongkapa genoemd) 1355—1419, die de orde der gele monniken stichtte, zoo genoemd omdat zij gele mutsen droegen in onderscheiding van de oorspronkelijk roode der Buddhisten. Hij voerde voor zijn volgelingen het coelibaat in, terwijl voor dezen de priesters mochten leven in huwelijken staat, totdat hun een zoon geboren werd. Ook voerde hij den Monlam in, d. i. groote samenkomsten tot het gebed, die jaarlijks gedurende 14 dagen duren. Het hiërarchisch systeem werd door hem nog consequenter doorgevoerd. Dank zij het coelibaat kon er van erfelijk priesterschap bij deze gele monniken geen sprake zijn. In de plaats der erfelijkheid trad bij hen de incarnatie, die in het Buddhisme inherent was. In Tibet bleef men niét bij de voorstelling, dat de Buddha zich in menschengestalte kon incarneeren, maar wordt een onafgebroken reeks van incarnaties voor bepaalde ambten geleerd. Vol-

gens deze zoogenaamde „chibulgaansche" erfopvolging gaat de ziel van een hoogen priester bij zijn afsterven in een dan juist ontvangen kind, zoodat hij als heilige wedergeboren wordt voor de positie, die hij had ingenomen. Bij zijn dood zocht men dus naar een kind, dat er wat den tijd zijner geboorte betreft, voor in aanmerking komen kon als Buddha te worden beschouwd. Op 5-jarigen leeftijd verkrijgt dit kind dan de waardigheid voor zijn gansche leven. Het ligt echter voor de hand, dat de priesterschap in deze keuze de hand heeft. De groot-Lama is tot een beschouwend leven gedwongen en wordt door de geloovigen vereerd, terwijl de eigenlijke machthebber de priesterschap is. Dank zij Sunkaba's hervorming is er echter niet één Lama, maar zijn er twee hoogste Lama's, beide uit de gele monniken voortgekomen en gelijk in macht. Zij wijden elkander. De meest bekende dezer twee is de in Lhassa gevestigde Dalai-Lama (oceaan-priester). De andere is de Tescho-Lama of BogdoLama, die in Achter-Tibet gezeteld is te Taschilhumpo. De eerste heeft echter reeds door zijn zetel in de heilige stad Lhassa, waarheen vele bedevaarten gehouden worden, de grootste beteekenis. Ook politiek werd hij van ouds b.v. door de Chineezen steeds als van zeer grooten invloed gewaardeerd. Ook de hiërarchie onder de hoogste waardigheidsbekleders heeft vele vertakkingen en is zeer gecompliceerd. Onder de twee hoogste Lama's staan de Chutuktu, die een college vormen, dat in bijzondere omstandigheden saamkomt. De Tibetaansche regeering is eigenlijk in hunne handen. Onder deze staan weer de Chubilgane, de wedergeborenen, die voor levende Buddha's worden aangezien. Bovendien zijn er nog een groot aantal priesters en monniken. Deze leven van aalmoezen, maar laten zich ook goed betalen voor hunne religieuse diensten bij geboorte, naamgeving, huwelijk, ziekte, dood, begrafenis enz.; als ook voor de zielmissen voor de overledenen. Zij zijn tevens heelmeesters, astrologen, exorcisten, leveren amuletten, enz. De kloosters zijn rijk. In het algemeen is er nog al overeenkomst met het Roomsch Catholicisme. Er is dan ook een soort kinderdoop, die met de naamgeving wordt voltrokken. Op het huisaltaar branden dan kaarsen en reukwerk. De priester spreekt gebeden uit en dompelt het kind driemaal in het water onder, wijdt het Buddha en geeft het zijn naam. Nauw-' keurig wordt het oogenblik zijner geboorte opgenomen met het oog op astrologische waarnemingen. Het Lamaïsme is uit den aard der zaak een godsdienst met zeer veel bijgeloof, eigenlijk een ontaard Buddhisme, maar heeft toch op de Tibetanen een gunstigen invloed geoefend doordat het de woestheid dezer volkeren wist te temperen. [ 6.

Lamarck (Jean Baptiste Antoine Pierre Monnet de), Fransch natuurkundige, geboren 1744 in Picardië uit een adellijk geslacht te Barentin. Hij- trad in 1760 in krijgsdienst, maar bepaalde zich spoedig bij de studie dergeneesen natuurkunde. Hij was de uitvinder van de descéndentie-Ieer. Beroemd werd hij door zijn Histoire naturelle des animaux sans vertèbres, 11 dln. (1816—1822). Hij had zijn beginselen al