is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LANDSVREDE - LANDVOOGD

573

sche kerk een publiekrechtelijk karakter toegekend, totdat tengevolge van de staatkundige omwenteling in November 1918 de landsheerlijke kerkregeering geheel verviel en de nieuwe grondwet van het Duitsche rijk, 11 Augustus 1919, de scheiding van kerk en staat doorvoerde en daarvoor de hoofdlijnen vaststelde, waarbij echter de verschillende kerkgenootschappen haar publiekrechtelijk karakter bleven behouden

Ook in de Noordelijke staten Denemarken, Noorwegen en Zweden, is de EvangelischLuthersche lands- of staatskerk ingevoerd en tot nu toe gehandhaafd. Langen tijd was deze er de officieele staatskerk, al werd aan Roomschen, Gereformeerden, Joden enz. vrijheid van godsdienstoefening toegestaan.

In collegialistischen zin wordt ook de Hervormde kerk in Nederland wel eens een landskerk genoemd, waarvan de plaatselijke kerken dan de afdeelingen zijn. Zie artikel Landskerk in BijbelschI Kerkelijk Woordenboek onder redactie van Prof Dr. A. van Veldhuizen, deel III: De Kerk door Dr. W. J. Aalders, blz. 172; en Dr. J. Th. de Visser, Kerk en Staat deel I blzz. 246—328440—446. [11. '

Landsvrede (Latijn Pax publica) was een middeleeuwsche instelling om de onderlinge twisten bij te leggen en den openbaren vrede te verzekeren.

De oude Germanen waren nog niet bekend met het Woord Gods, dat ons vermaant: „Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats, want er is geschreven: Mij komt de wraak toe : Ik ral hpt verrraiHp„ a~ u »

enz. (Rom. 12 : 19-21). Bij hen gold nog de regel, dat ieder persoon en familie zelf voor recht en vrede moest zorgen, en dat eerst in geval van nood de staat te hulp moest komen. Openbare rechtsbescherming was er nog niet Het vuistrecht heerschte schier nog onbeperkt! leder had zooveel recht als hij zich door eigen kracht kon verzekeren. De mishandelde ofbeleedigde partij mocht zelf wraak nemen en den beleediger tot genoegdoening dwingen. Langzamerhand schijnt onder invloed van het leenstelsel dat onbeperkte vuistrecht echter een soort eigen rechtsinstituut geworden te zijn, het zoogenaamde Fehderecht. De beleediger werd dan voor zulk een volksrechtbank gedaagd en gedwongen aan den beleedigde genoegdoening te geven, welke soms in een geldboete bestond. Was de twist bijgelegd, dan traden beide partijen in den vongen vredestoestand terug.

Dit Vuist- en Fehderecht is èn van de zijde der kerk èn van de zijde der overheid eerst beperkt en later geheel uitgeroeid. Van de zijde der kerk door den zoogenaamden Godsvrede, waarbij bepaald werd, dat alle veeten van advent tot acht dagen na driekoningen, van de vasten tot acht dagen na Pinksteren, en elke week van Woensdagavond tot Maandagmorgen rusten moesten, zie artikel Godsvrede. Van de zijde der overheid in Frankrijk werd het vuistrecht bedwongen door den zoogenaamden Koningsvrede, waarbij bepaald werd dat een veete jegens iemand, die de tusschenkomst van den koning inriep, moest blijven rusten. En van de zijde van Duitschland werd het eerst door Hendrik IV (1056—1106) in

het jaar 1103 een rijkstandsvrede afgekondigd voor den tijd van vier jaar, waarbij bepaald werd, dat een twist openlijk aangekondigd en bekend gemaakt moest worden. Ook de latere vorsten lieten zich niet onbetuigd. De voornaamste wetten zijn de veemgerechten door Frederik I te Neurenberg in 1187 en van Frederik II in 1235, in het leven geroepen om het vuistrecht te beteugelen. In plaats van de rechters uit het volk kwamen de schepenen en rechters door de rijksvorsten aangesteld. Deze veemgerechten verbreidden zich over geheel Duitschland en waren tot voorbeeld voor de opvolgende keizers tot op Maximiliaan toe. Daar echter de njksregeering aan deze bepalingen niet de noodige kracht kon bijzetten, moesten de verschillende landsmachten en ook de steden door afzonderlijke bepalingen het woest geweld trachten te bedwingen. Zoo geschiedde dan ook in Bohemen, Beieren, Thüringen enz. Deze instellingen verbonden zich tegen het einde der 14e eeuw, tot wederkeerigen steun. Eerst door Maximiliaan I (1493-1519) werd 7 Augustus 1496 in Duitschland den eeuwigen landsvrede afgekondigd, waarbij de vroegere veemgerechten afgeschaft, en alle veeten voor altijd verboden werden. Hij richtte een rijkskamergerecht op en deelde het rijk in tien kreitsen, aan wier hoofd een Kreitshauptmann stond, om voor de voltrekking der vonnissen der rechtbank te zorgen. Sindsdien was het met het Vuist- en Fehderecht

geuaan. I 11.

a L*nJaJsvre<ïc»renk noemde men gedurende de Middeleeuwen de misdaad van het verstoren van den landsvrede door geweld en wapenen. ' Op die misdaad volgde de rijksban en later werd zij met het zwaard gestraft. Tegenwoordig verstaat men er iets anders onder. Het is nu het uitoefenen van geweld op personen of zaken door verschillende personen, die zich voor zulk een doel met elkander vereenigd hebben. [ 24 Landvoogd. I. 1. In de Oostersche monarchieën heette landvoogd een opperambtenaar over een provincie, pacha = een onder den troon staande onderkoning; het is waarschijnlijk een oorspronkelijk Assyrische ambtsnaam, aldus van Assyrische landvoogden (2 Kon. 18-24- Jes 36 : 9; Ezech. 23 : 6), van Babylonische (Dan! 3 : 2^'J.27,; Jer 51 :23> 57: Ezech. 23 : 23), van Medische (Jer. 51:28), Perzische (Ezra5:3

ï' W ö n V5 : ö0; 1>len- * '■ 9> Estn- 1 : 3; /i i7' ™' ~:3; Dan- 6:6)> 00k van Syrische (Jr Kon. 20 : 24) en Israëlitische (1 Kon. 10:152 Kron. 9 : 14) ambtenaren. Zulke opperambtenaren in het rijk van Israël zijn onder de landvoogden in 1 Kon. 20 : 14 v. te verstaan. Ieder had rondom zich een inwacht. 2. Landvoogden (satrapen, vorsten des konings in Dan 3 • 2 Esth. 3 : 12, 8:9, 9:3) heeten opperbevelhebbers, stadhouders over grootere districten landvoogdijen, satrapiën (vgl. Dan. 6 : 2 v v)' Zn waren zonder twijfel meestal Perzen en schijnen in een gelijke verhouding tot de landvoogden gestaan te hebben, als de Romeinsche proconsuls tot de Procuratoren, zoo namelijk, dat de landvoogden opperbeambten waren van kleinere, af zonderlijk bestuurde, maar van desatrapiën afhankelijke provinciën, b.v. de landvoogd van