is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

588

LATIJNSCHE BIJBELVERTALING

kerk bleef het Latijn gelden, in de wetenschap bleef het in gebruik tot in de 19e eeuw. Verschillende factoren, als de snelle vervorming van het leven, de toenemende Woei der natuurwetenschappen, het terugdringen van de classieke cultuur hebben gemaakt, dat het Latijn als taal van wetenschap minderen minder werd gebruikt. Het was niet meer mogelijk over de dingen van het moderne leven in het Latijn zich uitte drukken. In den allerlaatsten tijd, nu pogingen om door Esperanto enz. een internationale taal in te voeren, feitelijk op niets zijn uitgeloopen, gaat men het als een gemis voelen, dat men het Latijn niet met het moderne leven heeft laten meegroeien, omdat het als ééne taal van wetenschap in gebruik had kunnen blijven. En het is lang niet onmogelijk, dat het nog eens als zoodanig in eere zal worden hersteld. [ 17.

Latijnsche Bijbelvertaling. Waar en wanneer en door wie de boeken der Heilige Schrift, en in het bizonder die des Nieuwe Testaments, het eerst in het Latijn vertaald zijn, is nog niet bekend. Men zou kunnen meenen, dat die vertaling natuurlijk al zeer spoedig te Rome geschied moet zijn. Rome en Italië waren toch de stad en het land van de Latijnsche taal. Maar wanneer we bedenken, dat de apostel Paulus zijn brief naar Rome in het Grieksch schreef, en niet in. het Latijn, en dat dit ook gedaan werd door Ignatius, en dat de eerste Christelijke' geschriften, die te Rome opgesteld werden, in het Grieksch geschreven zijn (Eerste Clemensbrief; Pastor van Hermas), dan kunnen we daaruit zien, dat in den eersten tijd de taalkundige verhoudingen te Rome anders waren: de gemeente te Rome was een Grieksch sprekende en schrijvende gemeente. Daarin kwam eerst verandering in het laatst der tweede eeuw. Natuurlijk, dat deze verandering reeds tevoren allengs meer haar noodzakelijkheid had doen gevoelen. De gewone of lagere volksklassen te Rome en buiten deze stad in Italië, zullen ook wel het Latijn als hun gewoonlijk gebruikte taal vastgehouden hebben. Maar het Latijn werd in den eersten tijd onzer jaartelling vooral in Noord-Afrika gesproken en gebruikt, meer dan het Grieksch. Het is ook vooral in Noord-Afrika, dat we het eerst stellig bewijs ontvangen van het aanwezig zijn van een Latijnsche vertaling van de Heilige Schrift, en speciaal van het Nieuwe Testament: bij Cyprianus, gestorven 258. Zijn leermeester was Tertullianus, gestorven pl.m. 220, de eerste Latijn-schrijvende kerkvader, die zooveel Latijnsche termen heeft gevormd, welke wij nu in de Theologie bezigen. Heeft hij een Latijnsche Bijbelvertaling gebruikt? Het schijnt, dat hij in elk geval ook telkens zelf uit het Grieksch vertaalde. Hij heeft ook Marcion bestreden, die in 144 met zijn kettersche leeringen te Rome uit de kerk gebannen werd. Heeft deze een Latijnsche vertaling van het Nieuwe Testament, voorzoover hij dat aannam, n.1. tien gecorrigeerde brieven van den apostel Paulus en een verminkt Evangelie naar Lucas, gemaakt? We zijn niet in staat, daarover met zekerheid te beslissen. A. von Harnack betoogt, dat „Tertullianus het Marcionietische Apostolicum" (d.w.z. de brieven van den apostel Paulus min de z.g.n. Pastorale brieven, n.m.1. 1 en 2 Tim. en Tit.)

„voor zich had", Marcion (1921), blz. 53*. En H. Lietzmann koestert de meening, „dat in het midden of in de tweede helft van de tweede eeuw.... Marcionietische predikers.... het eerst den hun bizonder aan het hart liggenden Paulustekst in het Latijn vertaalden. Deze vertaling heeft de Catholieke kerk dan overgenomen en aan haar eigen tekst gelijk gemaakt, maar toch niet overal de sporen van den oorsprong kunnen uitwisschen", Römer2, blz. 14, 15. Deze laatste veronderstelling wordt echter door A. von Harnack verworpen. „Men wordt door geen verschijnsel tot haar geleid", a. w. blz. 147*.

Bij de Latijnsche Bijbelvertaling kunnen we eerst spreken van een periode vóór Hieronymus (pl.m. 340—420). En we kunnen de Bijbelvertalingen in dat tijdperk, tegenover die door dezen kerkvader gegeven, de Oud-Latijnsche noemen. Van deze bezitten we een aantal handschriften, of grootere en kleinere brokstukken van handschriften. Voor het Oude Testament b.v. Codex, Lugdunensis, Ottobonianus, Monacensis, Complutensis, Gothicus, Corbeiensis, Vallicellanus, Veronensis, Sangermanensis, enz. Voor het Nieuwe Testament hebben we, afgezien van aanhalingen bij kerkvaders, ruim een 40-tal, de meeste met den tekst der Evangelieverhalen (26), zij het ook soms slechts zeer ten deele, 9 met dien van de Handelingen en Paulinische brieven, 5 met dien van de Algemeene brieven, en 3 met dien der Openbaring aan Johannes. De oudste van die des Nieuwen Testaments stammen uit de vierde eeuw, de jongste echter nog uit de twaalfde en de dertiende. Zij worden aangeduid met een kleine Latijnsche letter: a (Vercellensis), b (Veronensis), c (Colbertinus), d (Bezae-Cantabrigiensis), e (Palatinus), f (Brixianus), ff (Corbeiensis), g (Sangermanensis), h(Claromontanus), i (Vindobonensis), j (Saretianus), k (Bobiensis), 1 (Rehdigeranus), enz. F. J. A. Hort meent hierbij drie groepen te kunnen onderscheiden: een Afrikaansche groep (k, e, h), wier tekst over het geheel overeenkomt met aanhalingen van Cyprianus; een Europeesche (a, b, c, ff, i, enz.), die een revisie van de Afrikaansche kon zijn, of in elk geval in Noord-Italië en West-Europa circuleerde; en een Italiaansche (f, q, r), die een revisie blijkt van den „Europeeschen" tekst, The New Testament in the original Greek by B. F. Westcott and F. J. A. Hort, Introduction, blz. 78 v.v. Deze meening wordt door velen gedeeld, o.a. ook door E. von Dobschütz, die bovendien schrijft: „Wij weten niet, of onafhankelijk van elkander op verschillende plaatsen van het Westen Latijnsche vertalingen ontstonden, die dan langzamerhand meer aan elkander gelijk werden, of dat (wat ik voor waarschijnlijk houd) een nog in de tweede eeuw in Noord-Afrika ontstane vertaling taalkundig en naar den tekst (in verband met andere Grieksche exemplaren) omgevormd werd", E. Nestle's Einführung in das Griechische Neue Testament *, völlig umgearbeitet von E. von Dobschütz, blz. 17. Anderen echter staan een eenigszins andere voorstelling voor, omdat ook niet alle tekstcritisch materiaal in dezen zich aldus laat indeelen. Deze Oud-Latijnsche Bijbelvertalingen kenmerken zich over het algemeen door groote letterlijkheid, en zijn daar-