is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

592

LATRIA — LAUD

teur en rector der universiteit. Hij stierf in 1544. Hij is bekend geworden als tegenstander van Erasmus. Adversus librum Erasml de sarcienda Ecclesiae concordia (1514). Hij schreef ook tegen Luther. Articulorum doctrinae F. Martini Lutheri per theologos Lovanienses damnatorium ratio (1520). Ook tegen Oecolampadtus schreef hij Responsio ad Elleboron Ioannis Oecolampadii (1525). Ook schreef hij tegen den Engelschen reformator en Bijbelvertaler Tyndal. Confutationum adversus öuil. Tyndalum libri tres. [ 24.

Latria (het Grieksche Uroeia) beteekent vereertng en wordt gebruikt naast en in onderscheiding van dulia (het Grieksche dovXua) wat ook vereering beteekent. Het eerste is meer aanbidding en wordt gebezigd van de godsvereering (bij Plato komt het woord in deze beteekenis voor; Xateèta #«oS als godsdienst); het tweede ziet op de eer, die aan bijzondere menschen wordt toegebracht. Deze onderscheiding vinden we vooral bij Rome. Zij leert, dat de latria, de godsdienstige eer, alleen aan God toekomt, en geen schepsel mag bewezen worden; de dulia echter is de eer, die de Christenen aan de engelen en heiligen verschuldigd zijn. Nu zijn er in die beide vereeringen nog trappen en graden. In delatria is er verschil tusschen de aanbidding welkaGod ontvangt, en de eer, waarvan de menschelijke natuur van Christus en al haar leden het voorwerp zijn. In de dulia komen eerst de engelen, en dan naast hen de heiligen in deze orde. Bovenaan staat Maria, en na haar volgen de patriarchen, de profeten, de apostelen, de martelaren etc, die, omdat zij allen de volmaakte, bovennatuurlijke heiligheid deelachtig zijn, objecten zijn van aanbidding en vereering. In die vereering heeft Maria aanspraak op hyperdulia — d.i. op bijzondere vereering; de heiligen op dulia, hun reliquieën op mindere vereering etc. Door deze onderscheiding tusschen latria en dulia meent Rome te ontkomen aan de beschuldiging, dat zij aan het schepsel goddelijke eer toekent en zich dus vergrijpt aan het eerste gebod. Neen, zegt Rome, ik leer niet, dat aan engelen of heiligen goddelijke aanbidding moet worden toegebracht, maar terwijl ik God de latria geef, bewijs ik engelen en heiligen de dulia. Doch deze onderscheiding baat Rome weinig. Want het verschil tusschen latria en dulia is voor Rome niet de onderscheiding tusschen godsdienstige en burgerlijke eer of tusschen aanbidding en eerbied; dan ware de laatste door ieder Christen toe te stemmen. Maar voor Rome is de vereering van engelen en heiligen heel iets anders dan burgerlijke eer alleen; zij draagt een godsdienstig karakter, en is een cultus religiosus, een religieuse eeredienst. Daarom wordt ze door de Schrift en door de practijk veroordeeld. De Schrift kent geen tweeerlei godsdienstige vereering, een lagere en een hoogere. Zelfs wordt het Hebreeuwsche woord voor dienen (den Heere uw God dienen) nu eens door latria en dan door dulia vertaald, en beide zijn verboden, wanneer het schepselen geldt. Ook wordt in het Nieuwe Testament het woord dulia (dovkeveiv) meermalen voor God gebruikt (Matth. 6 : 24; Romeinen 7 : 6 etc), zoodat de onderscheiding welke Rome maakt èn schriftuur¬

lijk èn taalkundig niet opgaat. Alleen Gode komt de aanbidding toe, en aan geen schepsel mag goddelijke of religieuse eer worden toegebracht. [ 21.

Land (William), te Reading op 7 October 1573 geboren, liet op 10 Januari 1645 op het schavot zijn leven. Zijn oom van moederszijde was in 1591 Lord Mayor van Londen. Hij studeerde te Oxford en blonk hier boven allen uit. In 1593 werd hij fellow van St John's College. In 1598 werd hij Master of arts en in 1608 promoveerde hij tot doctor in de theologie. Hij werd eerst hulpprediker van Stanford, daarna predikant van Ibstock, vervolgens deken van Huntingdon en van Gloucester (1616), hierop bisschop in Wales (1621) en in Londen (1628) en eindelijk aartsbisschop van Canterbury (1633). Hij doorliep dus alle graden en kerkelijke bedieningen. Ook werd hij in 1611 kapelaan van koning Jacobus I. Laud openbaarde al vroeg een grooten afkeer tegen het Calvinisme en het Puritanisme. Hij had sterk-romaniseerende denkbeelden : hij was een vurig voorstander van de bisschoppelijke kerk en geloofde aan een wedergeboorte door den doop; hij meende, dat de plaats van de avondmaalstafel en de houding van den avondmaalganger levensvragen waren bij de viering van het Nachtmaal en indien de tafel niet op de wijze van een altaar in het Oosten der kerk stond en de avondmaalganger niet knielde, de zegen van het sacrament verloren ging. Zoo was hij ook voor het kruisteeken bij den doop, voor den ring bij het huwelijk en voor ambtsgewaden in de kerk. Niemand, zoo was zijn opvatting, kon voor een wettig dienaar erkend worden, die niet zijn ambt ontvangen had langs den weg der apostolische opvolging. In de leer was hij Arminiaansch of Semi-pelagiaansch. De Roomsche kerk verwierp hij niet; wel achtte hij de Engelsche kerk meer in overeenstemming met de eerste Christelijke kerk dan de Roomsche. Koning Jacobus dweepte met den slimmen Laud niet, maar wel zag hij in hem een krachtig voorstander van zijn eigen ideeën. Ook Jacobus vereerde de bisschoppelijke kerkregeering en had zelfs tot leus: No Bishop no King (het koningschap staat en valt met de bisschoppelijke macht) 1

Was de invloed van Laud tijdens Jacobus' regeering nog beperkt, machtig werd hij, toen Karei I den troon besteeg (1625). Karei begunstigde hem zeer. Zoo werd hij lid van den Privy Counsel (Geheime Raad), toen met het uitvoerend bewind belast. Karei I, hoewel het eerst met parlementen probeerend, regeerde sedert 1629 geheel zonder parlement. Dit absolutisme vond in Laud een groot bewonderaar. Laud werd nu al meer de bestuurder van de Engelsche kerk. Met onbeperkte macht was hij weldra bekleed. Al spoedig werden de Puriteinsche predikanten overal uit hun plaatsen verjaagd (velen trokken naar Nederland en Amerika). In 1635 gaf hij bevel, dat alle kinderen van vreemdelingen, die in Engeland geboren waren, niet meer de vreemdelingen-kerken, maar de kerken van Engeland moesten bezoeken. Duizenden Nederlanders verlieten hierop hun aangenomen vaderland.