is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

614

LEER VRIJHEID

sche leeraars (2 Petr. 2:1); en van Johannes voor de dwaalleer van den anti-christ (1 Joh. 2 : 18; 4 : 1 v.v.; 2 Joh. vs. 10).

Op grond van deze uitspraken der Schrift hebben de Gereformeerde kerken de leertucht dan ook èn in haar Belijdenisschriften (zie Geloofsbelijdenis, artikel 30; Heidelberger Catechismus vraag en antwoord 85; en de Vijf Artikelen tegen de Remonstranten); èn in haar Kerkenordening, (zie artikel 72: „Wanneer dan iemand tegen de zuiverheid der leer of vromigheid des wandels zondigt" enz.; en artikel 80, waarin onder de grove zonden, die waardig zijn met schorsing en afzetting van het ambt gestraft te worden allereerst valsche leer of ketterij genoemd wordt), opgenomen.

De Remonstranten brachten tegen de leertucht de volgende bezwaren in: le dat aan de Schrift ] alleen absoluut gezag toegekend mag worden, waarmede het bindend gezag der belijdenis in strijd zou zijn; 2e dat het gezag der belijdenis alle Christelijke vrijheid zou vernietigen; 3edat het bindend gezag der belijdenis het vrije onderzoek zou tegenhouden. Daartegen merkten de Gereformeerden op: le dat er tusschen absoluut gezag en geen gezag nog een derde is, n.1. een relatief (betrekkelijk) of afgeleid gezag, dat aan de Schrift onderworpen is; 2e dat de vrijheid niet in losbandigheid mocht ontaarden en in de vrijwillig aanvaarde belijdenis haar grenzen had; 3e dat zij verdraagzaam wilden zijn jegens hen, die te goeder trouw dwaalden, maar niet jegens hen die opzettelijk en welbewust de dwaalleer verbreidden; en 4e dat de wetenschap vrij uit Gods Woord kon putten en dat men bij eventueel conflict met de belijdenis door middel van gravamen kon pogen de belijdenis op die punten te herzien.

In de Nederlandsch Hervormde kerk is er van leertucht geen sprake. Wel trekt Dr. J. R. Slotemaker de Bruine uit de bepalingen van het Algemeen Reglement, dat het hoofddoel van de leden der besturen moet zijn „de handhaving der leer", de conclusie, „dat de Hervormde kerk een belijdend karakter heeft en de leervrijheid niet kent", zie in Pro Ministerio Deel V: Nederlandsch Hervcirmd Kerkrecht blz. 32 v.v. Maar daaruit volgt niet, dat de Hervormde kerk daadwerkelijk leertucht oefent. In artikel 3 van het Reglement voor Opzicht en Tucht staat alleen, dat ambtsdragers en leden onderworpen zijn aan de kerkelijke tucht „ter zake van onchristelijken wandel, van openbaren strijd met den geest en de beginselen van de belijdenis der Hervormde kerk (artikel 27 van het reglement op het examen), van verstoring van orde en rust en van verzuim of vergrijp in de uitoefening der kerkelijke betrekkingen . Maar van die leertucht „terzake van openbaren strijd met den

geest en de beginselen der Hervormde kerk" komt in de practijk niets. Uit artikel 27 van het Reglement op het examen blijkt, dat de Geloofsbelijdenis uit het Onderteekeningsformulier is geschrapt ea vervangen is door „de belangen van het Godsrijk en in overeenstemming hiermede die van de Nederlandsch Hervormde kerk". Wat nu die „belangen van het Godsrijk" zijn en waar die omschreven zijn, is nergens bepaald

en aan ieders persoonlijke beoordeeling overgelaten. In de practijk worden niet alleen Gereformeerden, maar ook Ethischen, Modernen, Socialisten enz., zoowel onder de ambtsdragers als onder de leden, zonder eenige leertucht geduld.

In de Gereformeerde kerken wordt naast de levenstucht ook de leertucht geoefend. Dit blijkt uit de afzetting van Ds. J. B. Netelenbos op grond van zijn afwijking van Schrift en belijdenis door de classis Middelburg, 19 November

1919, en bevestigd door de particuliere synode van Zeeland, 2 en 3 Juni 1920, en door de generale synode van Leeuwarden, 1920; zie Acta der generale synode van de Gereformeerde kerken in Nederland, gehouden te Leeuwarden,

1920, blzz. 102—124; en voorts uit de afzetting van Dr. J. G. Geelkerken door de buitengewone generale synode van Assen, 1926, op grond van zijn weigering om de verklaring der synode, „dat de boom der kennis des goeds, en des kwaads, de slang en haar spreken en de boom des levens naar de klaarblijkelijke bedoeling van het Schriftverhaal van Gen. 2 en 3 in eigenlijken en letterlijken zin zijn op te vatten en dus zintuiglijk waarneembare werkelijkheden waren" en dat derhalve het disputabel stellen van deze feitelijkheid met het in artikel 4 en 5 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis beleden gezag der Heilige Schrift in strijd is, te onderteekenen, enz.; zie Acta der buitengewone generale synode van de Gereformeerde kerken in Nederland, gehouden te Assen, 1926, die bijna geheel aan de behandeling van deze tuchtzaak is gewijd. [ 11.

Leervrijheid. Onder leervrijheid verstaan wij de vrijheid der voorgangers en leden eener kerk, om te leeren wat men wil.

Zij komt uit het subjectivisme op. Wanneer in de kerk van Christus de evenaar van het objectieve Woord Gods naar de subjectieve overtuiging der menschen overslaat, is het gevaar der leervrijheid aanwezig. Na een tijd van objectieve leervastheid, trad er dan ook vaak een tijd van subjectieve leervrijheid in. Aanvankelijk slechts in betrekkelijken zin, omdat de belijdenis der waarheid nooit de volkomen uitdrukking der waarheid zelf is en dus als geloofsregel va» den tweeden rang altijd aan dien van den eersten rang der Heilige Schrift toetsbaar moet blijven. Maar spoedig in volstrekten zin, wanneer men de persoonlijke oprechtheid van bedoelen voldoelde maatstaf voor het lidmaatschap der kerk acht te zijn.

De Roomsche kerk heeft niet alleen de leervrijheid binnen de grenzen harer kerk maar ook de godsdienst- en zelfs de consciëntievrijheid daarbuiten aangetast. Zij leerde, dat haar kerkelijke en politieke wetten met de Goddelijke wetten gelijk waren en daarom de consciëntiën der menschen konden binden. Tegen dien consciëntiedwang kwamen de kerken der Hervorming in verzet, maar de leervrijheid binnen de grenzen harer belijdenis hebben ook zij veroordeeld. Zelfs waar er inzake vraagstukken, waarover de belijdenis der kerken zich niet had uitgesproken vrijheid van meening werd toegelaten was deze toch aan de Schrift onderworpen. De Remon-