is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LEESBOEK — LEESKERK

615

stranten eischten echter de vrijheid om hun gevoelen inzake de bekende punten, waarin zij van de belijdenis der kerk afweken, niet alleen persoonlijk voor te staan, maar ook openlijk in de kerken te leeren. De Gereformeerden zeiden daarentegen: die leervrijheid is tegen Gods Woord en mag in de Gereformeerde kerken niet geduld worden. De synode van Dordrecht, 1618—'19, heeft dan ook de Remonstrantsche dwalingen veroordeeld, en haar aanhangers met de tucht behandeld.

De Nederlandsch Hervormde kerk heeft de belijdenis der aloude Gereformeerde kerken wel niet officieel afgeschaft, maar evenmin gehandhaafd. Feitelijk heeft zij de leervrijheid toegelaten. Zij wil tot nu toe de uitwendige eenheid vasthouden en heel het volk in één kerkgenootschap vereenigen, maar laat dan voorts in dat ééne genootschap allerlei richtingen doorgisten. Naast de gereformeerden is er ook voor de ethischen, modernen, boeddhisten, socialisten en communisten plaats.

Vanwege deze leervrijheid heeft dan ook een belangrijke groep der Gereformeerden het juk van het genootschap afgeworpen; eerst in de Afscheiding van 1834 en later in de Doleantie van 1886. - Zij wilden aan de aloude belijdenis, kerkenordening en liturgie der Gereformeerde kerken vasthouden. En wel heeft Dr J. G. Geelkerken getracht in de Gereformeerde kerken de vrijheid te verkrijgen, om de bekende punten in Gen. 2 en 3, nl. de beide paradijsboomen, de slang en haar spreken als zintuiglijk waarneembare werkelijkheden disputabel te mogen stellen, maar de buitengewone synode van Assen, 1926, sprak uit, dat die vrijheid in strijd zou zijn, met het door de Gereformeerde kerken in art. 4 en 5 der Nederlandsche geloofsbelijdenis beleden gezag der Heilige Schrift. Een duidelijk bewijs, dat de kerk van Christus steeds voor het gevaar der leervrijheid op haar hoede moet zijn. [11.

Leesboek (Bijbelscn). In den Zendingsarbeid onder de verschillende volken en stammen der zoo talrijke eilanden van Indië is de taaimoeilijkheid groot. Terwijl men in vroegere jaren deze moeilijkheid trachtte op te lossen door het Maleisch algemeen als school- en kerktaal in te voeren, heeft men in lateren tijd meer ingezien de noodzakelijkheid om het Evangelie aan de volkeren te prediken in hun eigen taal. Daar nu het werk van Bijbelvertaling niet het begin, maar het eind is van den zendingsarbeid onder een bepaald volk, geeft men eerst een Bijbelscn Leesboek met de voornaamste verhalen uit het Oude en Nieuwe Testament, ten gebruike voor school en huis en Evangelisatie. Sommige van die Leesboeken sluiten zich zoo nauw mogelijk aan bij de Bijbeltaal, juist als voorbereiding voor de toekomstige Bijbelvertaling, terwijl anderen meer een omzetting geven in het bijzondere spraakidioom van het betreffende volk.

Het Nederlandsch Bijbelgenootschap verleent hierbij grooten steun aan de Zending door het uitgeven en beschikbaar stellen van dergelijke Leesboeken. Op zijn prijslijst worden gevonden Bijbelsche Leesboeken in het Maleisch, Javaansch, Soendaneesch, Madoereesch, Toba-Bajaksch en Karo- Bataksch, Niassisch, Mentawei sch, Dajaksc h,

Makassaarsch, Boegineesch, Bare'e, Totemboansch, Galelareesch, Tobeloreesch, Sangireesch, Masarete'sch, Rottineesch, Windessisch, Loloda'sch, Mori'sch, Ta'e, Bada'sch, Mongondou'sch, Papiamento, Soembaneesch, Tabaroesch en Napoe'sch.

In 28 talen zijn op deze wijze gedeelten van den Bijbel voor verschillende volkeren ontsloten, terwijl dan by latere zendingsontwikkeling kan uitgemaakt of vertaling van enkele Bijbelboeken of van den geheelen Bijbel wenschelijk en mogelijk is. Niet het minst voor de Evangelisatie zijn deze Bijbelsche Leesboeken van groote beteekenis. [ 48.

Leesgezelschap. Naam 1° van een vereeniging van personen, die voor gezamenlijke rekening tijdschriften, brochures en boeken aanschaffen, en die in vaste volgorde laten circuleeren; 2° van een kring van personen, die op geregelde tijden samenkomen tot het lezen van boeken, waarbij naar toerbeurt een met de voorlezing is belast.

Leeskerk of leesdienst is een kerkedienst, waarin bij gebrek aan een dienaar des Woords een predikatie wordt voorgelezen. In de 16e en 17e eeuw werden er door de classen wel zoogenaamde „lezers" aangesteld om in plaatsen, waar nog geen gemeente was, er een te vergaderen. Maar de synode van Middelburg, 1581, raadde het aanstellen van vaste lezers af en wilde het alleen bij uitzondering toelaten in afgelegen plaatsen, waar men van den dienst des Woords verstoken was; en dan nog alleen met voorweten en advies der classis. Lezers moesten noodhulp blijven en mochten geen vaste positie in de kerken verkrijgen. Zij konden zich zoo licht gaan inbeelden aan de dienaren gelijk te zijn.

In onze dagen maken de kerken van zulke lezers alleen gebruik bij gebrek aan of bij afwezigheid van een dienaar des Woords. De kerkeraad stelt een ouderling of diaken of, indien er onder hen geen geschikte lezer te vinden is, een lid der gemeente, b.v. een hoofd der school, voor éénmaal of voor een heel jaar als lezer aan. In de practijk gaat de lezer doorgaans ook voor in de gebeden. Strikt genomen zou hem echter alleen het bidden van een formuliergebed mogen worden opgedragen, omdat bij het vrij gebed het „eigen initiatief' van den lezer intreedt. Om dezelfde reden mag de lezer ook geen stichtelijke vermaningen en toepassingen van eigen vinding aan de gedrukte predikatie toevoegen. Leesdienst toch is in zekeren zin dienst des Woords. Geen volkomen predikdienst, als waarbij de dienaar zelf voorgaat. Maar toch wel in zekeren onvolkomen zin, omdat de lezer als helper van den dienaar des Woords optreedt, en deze dus door den mond van den helper tot de gemeente spreekt. Of Paulus zelf optrad voor de gemeente te Efeze, dan wel of een ander een door hem geschreven brief aan de gemeente voorlas, in beide gevallen trad Paulus op met het gezag en de autoriteit van zijn apostolisch ambt. In strikten zin is het voorlezen van een predikatie geen ambtelijk werk, al zijn de ouderlingen als mede-ambtsdragers de eerstaangewezenen om dien hulpdienst te verrichten. [ 11.