is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LEVENSWANDEL

639

borgen besluiten Gods; 4. een onafgebroken loochening van de voorzienigheid Gods; 5. een dooding van het gebed (bl. 23, 24). Vgl. ook andere dergelijke werkjes van ouderen datum, als bijv.: Mag een Christen zich assureeren? getoetst aan Gods Woord, in zes avondgesprekken, door P. Barendregt, 2e dr., Kampen 1884; enz. Wat Schriftuitspraken betreft: a. Sommige

ouiiiaiiugcu ucuuen nieis met t assurantiewezen te maken, bijv. die we lezen Job 12 : 6: de goddeloozen nebben verzekerdheden; b. andere strijden niet tegen 't assurantiewezen daar 't destijds nog niet bekend was en God nu mee dóór onderlinge hulp weduwen en weezen kan verzorgen Oer. 49 : 11); c. nog weer andere pleiten zelfs vóór de gedachte van het elkanders lasten dragen, in 't assurantiewezen belichaamd.

Overigens is waar: inderdaad kan en moet worden toegegeven dat het geloofsleven schade kan lijden en veel gebed om bewaring, vroeger tot God opgezonden, nu kan verstommen; dat het vertrouwen op Gods Vaderzorg kon afnemen en dat 't verzekeringswezen een lokaas uithing dat tot zwendelarij, afzetterij, brandstichting en moord aanleiding gaf (bijv. Dr A. Kuyper, De Gemeene Gratie, II bl. 548 v.v.). Maar toch aan de andere zijde moet worden gevraagd of niet al het gebruik van het geoorloofde, ja zelfs van het heilige en heiligste, door misbruik is ontsierd; en of niet, om op 't enger terrein van 't verzekeringswezen te blijven, datgene wat bij ontstentenis van verzekering noodzakelijk is, nl. het sparen, evenzeer aanleiding heeft gegeven tot

,uulM»j Hiuuiu, cn ugi.; terwijl, wat aangaat net vertrouwen op Gods Vaderzorg, we Hem er toch alleen maar voor kunnen danken dat, al blijven we ook nog van gevaren omringd, het Hem Leliefd heeft in den loop der tijden, door allerlei middelen, het leven zooveel veiliger, het menschelijk bestaan zooveel rustiger te maken.

Alle individualisme is in den grond der zaak Pelagiaansch. De Schriftuurlijke en Gereformeerde beschouwing is deze dat, terwijl ieder mensch nu eenmaal een eigen pak te dragen heeft en niemand daarvan vrijkomt, we dan zooveel mogelijk zullen trachten elkanders lasten mee te helpen dragen. En nu is't verzekeringswezen te danken aan de poging om met name de geldelijke schade die uit allerlei oorzaak ons Gemeenschappelijk leven bedreigt, te laten dragen noor de gemeenschap.

Terecht onderscheidt Dr Kuyper hierbij tusschen een oorzakelijk en een niet-oorzakelijk lijden (a. w. bl. 566). Er is een lijden waarvan we zelf de oorzaak zijn, dat we dragen moeten geheel vanwege onze eigen schuld. Maar er is ook een lijden dat ons treft zonder dat we er zeiven iets aan kunnen doen. Hierbij verbiedt Jezus nadrukkelijk op persoonlijke zonde terug te gaan (toren van Siloam enz.). Er is een gemeenschappelijke schuld der menschheid, die dit lijden over den mensch en de menschen heeft gebracht. Maar dan mag er op dit terrein een gemeenschappelijk aangewende poging zijn om door een gemeenschappelijk dragen de openbaringen van deze gemeenschappelijke ellende voor den enkeling zooveel lichter te maken. Wat het bezwaar betreft dat de weldadigheid

zoodoende de wereld uitgaat, dit is onjuist. Vooreerst is het bij het toepassen van den weldadigheidszin der menschen waarlijk ook niet alles goud wat ér blinkt (men denke aan wereldsche liefdadigheidsconcerten en dergelijke, waarbij men niet anders offert dan op een avond van eigen vermaak); maar ook, volgens 't ideaal der eerste Christengemeente, welker leden gaven aan de behoeftigen, naar dat elk van noode had, is het thans uitgevonden verzekeringswezen, ook al wordt het door de maatschappijen enz. niet uit liefdadigheid beoefend, nochtans een vorm van gemeenschappelijk helpende actie die met georganiseerde liefdadigheid op één lijn staat en alleen de particuliere overbodig maakt.

De vraag of het zich verzekeren voor een Christen als een verplichting is aan te merken beantwoordt bijv. Dr Kuyper (a.w. bl. 590) bevestigend. De middelen om het lijden te verzachten zijn ontdekt; nu eischt de wet der liefde haar aanwending. Intusschen doelt dit op een zich z. i. persoonlijk verplicht moeten gevoelen. Elkander zullen we in dit stuk nooit kunnen dwingen.

Wat bepaaldelijk de fevensverzekering aangaat, het woord is een leelijk woord (a.w. bl. 594); niet het leven wordt verzekerd, maar er is verzekering tegen de droeve gevolgen van het jong sterven, dat mogelp is vanwege het wisselvallige m den dood. Zoo een ander (bijv. de vrouw die als weduwe de verzekeringssom zal ontvangen) hiervan schandelijk misbruik wil maken, het misbruik van een zaak heft het goed gebruik niet op. En de gerustheid die er uit unmiinmif

kan toch geheiligd worden door dankbaarheid.

De ongerechtigheid, die er bij kan insluipen, komt

niet op uit 't verzekeringswezen als zoodanig.

maar uit 's menschen zondig hart. Eindelijk mag er wel met Dr Kuyper op worden

aangedrongen om, met onze vaderen, het hoogste

te achten de verzekering ten eeuwigen leven, die

God Zijn kind wil schenken (a.w. bl. 547). Vgl. o.m. Dr A Kuyper, De Gemeene Gratie II,

bl. 545-596; Dr K. Dijk, De Voorzienigheid

Gods, bl. 253—267 enz. [41. Levenswandel, ook wel levensgedrag, is

de wijze, waarop wij ons in moreel of zedelijk opzicht gedragen. Reeds het Oude Testament prijst de oprechten van wandel zalig, Ps. 1:1: Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in den raad der goddeloozen, enz.; Ps. 119 : 1: Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des Heeren gaan. Jezus zelf spoort Zijn discipelen aan, Matth. 5:16: Laat uw licht alzoo schijnen voor de menschen, dat zij uwe goede werken mogen zien, en uwen Vader, die "J °e hemelen is, verheerlijken; en waarschuwt Matth. 7 : 21 : Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere 1 zal ingaan in het koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Miinc

Vaders, die in de hemelen is. Evenzoo vermaant Paulus Timotheiis, 1 Tim. 4 : 12: zijt een voorbeeld der geloovigen in het woord, in wandel, enz.; Fil. 3 : 20: Maar onze wandel is in de hemelen, enz.; zie voorts Jac. 3 : 13; 1 Petr 1 : 15; 2 : 12; 3 : 1, 2, 16; Hebr. 13 : 5.

Vandaar dat ook de kerken op den levenswandel van haar ambtsdragers en leden toezicht