is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

702

LOEFF — LOFOFFER

man, die het koninklijk absolutisme tot een godsdienstig dogma verhief, die uitsprak l'Etat c'est mot, had door deze daad Frankrijk weder officieel tot een Catholieken staat verklaard. Toen eerst begon de onderdrukking zwaar te worden. Eerst had men er duizenden verleid, nu werden tienduizenden verjaagd. Kerken werden verwoest, duizenden van hun goederen beroofd, gemarteld of naar de galeien verwezen. Ondanks de voorzorgsmaatregelen der regeering vluchtten 7 a 800.000 Hugenoten naar Holland, Engeland, Brandenburg en Zwitserland, waar ze met open armen ontvangen werden (Réfugié's). Frankrijk betaalde de Catholieke politiek van zijn tot absolutisme geneigden koning met het verlies van bijna een millioen van zijn beste, bekwaamste en nijverste burgers. Over de geschiedenis van de oorlogen, die Lodewijk XV gevoerd heeft, over den toestand van zijn volk (wetenschap en kunst) enz. handelen wij hier niet. (ZiehetartFranArriyA:.^ [ 24.

Loelf (Abraham Rutgers van der), geboren te Spaarndam 2 Mei 1808 als zoon van Ds Abraham Schim van der Loeff en Dorethea Johanna Rutgers; overleden te Leiden 13 Juli 1885, genoot als knaap eerst drie jaar onderwijs in de Anstalt der Hernhutter Broedergemeente te Neuwied, daarna op het gymnasium te Bolsward en te Groningen, vanwaar hij in 1825 met dep rooden mantel promoveerde naar de Universiteit te Groningen. Achtereenvolgens is hijjpredikant geweest te Slochteren, Noordbroek, Zutfen en Leiden. Uit Noordbroek stelde hij in 1842, na het Adres der Zeven Haagsche Heeren, aanstonds een tegenadres op, waarin hij met verontwaardiging de aantijging uit de residentie bestreed. Zijn beroep in 1847 als woordvoerder der Groninger richting bracht heel wat pennen in beweging. Van 1839—45 was hij mederedacteur van het tijdschrift Waarheid in Liefde. In 1850 werd hij te Groningen honoris causa doctor in de theologie. [ 30.

Loerab. Javaansch ; beteekent hoofd, chef; naam voor wie over anderen werd gesteld. — Óók titel van het dorpshoofd, vooral in de Vorstenlanden; daarom ook wel vertaald door ons „burgemeester". — Dat er thans Christen-loerahs zijn, is een doorslaand bewijs voor de doorwerking van de Zending. [ 35.

Lol. De handelingen van het loven, het met welgevallen en grootachting spreken. De Schrift wekt ons vooral op tot den lof Gods, vanwege de grootheid en majesteit Gods, Zijn werken en wonderen, waarin Hij de heerlijkheid Zijner deugden openbaart.

Ook Christus is waardig de lof te ontvangen (Openbaringen 5 : 12) wegens Zijn overgave in den dood, en wat Hij daardoor voor Zijn volk aangebracht heeft.

Tot dien lof worden de engelen in den hemel, het volk Gods, de dienstknechten des Heeren, volken, koningen, vorsten, rechters, jongelingen en jongemaagden, ook onze eigen ziel, opgewekt. Zelfs zon en maan en sterren (zie Psalm 148). • WK moeten God overal loven. In de binnenkamer (Ps. 65 : 2), in het openbare leven (Ps. 138:1), in 'sHeeren voorhoven (Psalm 100). Het is het doel van ons leven, dat wij, verlost door het dierbaar bloed van Christus, Gods naam zullen loven en danken. [ 28.

Lof (Het). Met dezen naam pleegt men in [I de Roomsche kerk te noemen een bepaalde namiddag- of avondgodsdienstoefening, op Zondagen en heilige dagen en zekere dagen in de week, jl waarin de plechtige aanbidding van het Sacra- I ment plaats vindt. Volgens de beschouwing van II deze kerk is de mis smeekoffer en zoenoffer, 9 maar ook lofoffer. Zij wordt opgedragen „om de I heerschappij van God te erkennen en Rem te || danken voor de genade en de glorie aan de I heiligen geschonken". Ook de muziek die in deze diensten wordt ten gehoore gebracht, wordt met I den naam „het lof' aangeduid. Men spreekt zelfs I van „loven" in het meervoud. De lofzangen die hierbij gezongen worden zijn ter eere van het I heilig Sacrament, en ter eere van de heilige I vrouw, of ook een psalm voor de zielen in het I vagevuur. [ 28.

Lofoffer, het behoort bij de klasse der dank- || offers, waartoe ook het gelofte-offeren vrijwillig j offer moetenworden gerekend (zie art. Dankoffer). I Gaat men af op den naam, dan mag men be- I sluiten dat het gebracht werd als er bizondere | redenen van dank waren. Daarom komt het dan ] ook meestal voor in samenstelling als: lofoffer (I zijns dankoffers, dat korter wordt vertaald door I lofdankoffer (Lev. 7 : 13, 15). Het eigene ook I bij dit offer is, dat het grootste gedeelte van I het dier gebruikt werd door den offeraar aan een blijden offermaaltijd (Deut. 12 : 7) ter heilige I plaatse, voor het aangezicht des Heeren. Aan j zulke offermaaltijden namen dan alle leden van I de familie deel, welke levietisch rein waren j zelfs noodigde men ook gasten tot zulke maal- jl tijden: armen, weduwen en weezen; Levieten en || zelfs vreemdelingen, die in hun midden woonden, I mits besneden, konden daaraan deelnemen, tl Alleen het bloed mocht niet worden gebruikt; I 't vet moest op het altaar worden verbrand; de 1 borst viel den priesters ten deel, alsmede de I rechterschouder. Het borststuk bood men den | Heere aan als beweegborst, eveneens de rechter- I schouder als beweegofier, de zoogenaamde hef- j schouder, en kwamen zoo aan den priester (Lev. I 7 : 19—21, 30v.v.). Het vleesch moest nog op denzelfden dag worden gegeten (Lev. 7 : 15). Zulke offermaaltijden beelden als 't ware af een gemeenschappelijk aanzitten aan den disch met den Heere. Men kan daarbij niet bepaald zeggen dat de Heere de lieden noodigt ten disch, noch dat de Heere wordt uitgencodigd mede aan te zitten met de menschen. Eenerzijds is het een menschelijke maaltijd, waaraan de Heere deelneemt; anderzijds is het toch ook weer een gewijde, heilige, maaltijd, die gebruikt wordt in het huis des Heeren, waarbij Hij de eigenlijke Gever en Uitdeeler der gaven is. Naar gelang van de omstandigheden die leidden tot het brengen van het lofoffer, zal nu eens de eene en dan weer dè andere zijde dezer gedachten op den voorgrond treden. Moest het vleesch van zulk een lofdankoffer nog op denzelfden dag gegeten worden (Lev. 7 : 15; 22:29), tegenover deze beperking stonden echter ruimere bepalingen inzake het offer zelf: een dier met te lange of te korte pooten, kon ook dienen (Lev. 22 : 23); ook mochten zoowel gezuurde als ongezuurde brooden worden gebruikt (Lev. 7 : 13). Nadat