is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4 MAAN —

Maan. De maan is de wachter, die de aarde I begeleidt op haar reis door de wereldruimte. Zij vergezelt onze planeet bij haar beweging om de zon, maar tevens beschrijft zij in 27 dagen 7 uren 43 minuten en 11 seconden een baan om de aarde. Merkwaardig is, dat zij in precies denzelfden tijd éénmaal om haar as wentelt. Hieruit volgt, dat wij voortdurend dezelfde helft van het maanoppervlak waarnemen, terwijl wij de andere zijde nooit te zien krijgen. Het gedeelte der maan, dat naar de aarde gekeerd is, is reeds eenige eeuwen nauwkeurig onderzocht. De sterrenkundigen, die zich met dit onderdeel der wetenschap bezig houden, de selenografen, hebben alle bergen, kraters en heuveltjes beschreven. De maan is bolvormig. Haar oppervlakte bestaat uit kale rotsen en woeste steenbrokken. Van een atmosfeer zijn geen of nagenoeg geen sporen gevonden. Plantenleven of dierlijk leven is, voorzoover wij ons kunnen voorstellen, op de maan niet mogelijk. De maan heeft geen eigen licht, zij is slechts zichtbaar door het zonlicht, dat zij terugkaatst. De donkere vlekken op de maan, die vroeger zeeën genoemd werden, zijn schaduwen van bergen.

De maan staat, in vergelijking met andere hemellichamen, heel dicht bij ons. Haar gemiddelde afstand tot de aarde bedraagt ongeveer 384000 K.M. Men spreekt van gemiddelden afstand, omdat de baan der maan geen cirkel, doch een ellips is. Deze afstand komt overeen met zestigmaal den straal van den aardbol en is slechts het vierhonderdste deel van den afstand van de aarde tot de zon. De straal der maan is 1740 K.M., d.i. bijna twee-zevende deel van dien der aarde. Hieruit volgt, dat haar volume slechts Vso deel van dat der aarde bedraagt. De massa van de maan bedraagt Vso deel van de massa der aarde.

De schijngestalten der maan zijn eenvoudig te verklaren uit haar beweging ten opzichte van de aarde en de zon. De zon verlicht slechts de helft van den maanbol. Wanneer de naar ons gerichte zijde verlicht wordt, noemen we de maan vol, en wanneer de van ons afgekeerde zijde de zonnestralen opvangt, spreken we van nieuwe maan. Daartusschenin staan de gevallen, dat de helft van de naar ons gekeerde zijde verlicht is. Wanneer dit de rechterkant is, hebben we eerste kwartier en in het andere geval laatste kwartier.

Bij nieuwe maan staat de maan tusschen zon en aarde in. Wanneer nu het vlak, waarin de maan zich beweegt, samenviel met de ecliptica, het vlak, waarin de aarde haar loop om de zon volbrengt, zouden we iedere nieuwe maan zonsverduistering hebben. Want deze ontstaat, doordat de maan zich tusschen de zon en de aarde bevindt. Daar het vlak van de maanbaan een hoek van 5° met de ecliptica maakt, gebeurt dit niet iedere maand. De zon zal tweemaal 's jaars het vlak der maanbaan passeeren. Gebeurt dit omstreeks nieuwe maan, dan bestaat er kans op een zonsverduistering. Wanneer men het nauwkeuriger nagaat, vindt men, dat het aantal zoneclipsen in een jaar 2, 3, 4 of 5 bedraagt. Een maansverduistering ontstaat wanneer de aarde zich tusschen zon en maan bevindt. Er bestaat

MAANEN

kans op een maansverduistering, wanneer de maan omstreeks den tijd van volle maan de ecliptica passeert. Het aantal maaneclipsen, dat in een jaar kan plaats hebben bedraagt 0,1 of 2.

De aantrekkingskracht der maan heeft ook grooten invloed op het ontstaan der getijden, eb en vloed. Bij volle en nieuwe maan werken zon en maan samen om vloed te verwekken, terwijl zij bij de kwartierstanden elkaar tegenwerken. In het eerste geval spreekt men van springvloed en in het tweede van doodtij. [ 1.

Maand. De synodische maand, dat is de tijd, die er verloopt van nieuwe maan tot de «eigende nieuwe maan, telt 29 dagen 12 uren 44 minuten 3 seconden. Reeds de oude volken kenden haar vrij nauwkeurig. Het jaar van 12 maanden, het zoogenoemde maanjaar, telt dus 354 dagen 9 uren. De natuur en ook de mensch regelen zich echter naar de zon. Daarom hebben zoowel oude als nieuwe volken door allerlei kunstmiddelen getracht, het maanjaar in overeenstemming te brengen met het zonnejaar, dat 365 dagen 6 uren bevat. In de sterrenkunde wordt nog van andere maanden gesproken, waarvan we hier slechts noemen de siderische maand, dat is het tijdsverloop tusschen twee opvolgende gelijke standen der maan ten opzichte van een vast punt, bij voorbeeld een vaste ster, aan den hemel. Deze maand is meer dan twee dagen korter dan de synodische: immers zij bedraagt slechts 27 dagen 7 uren 43 minuten 12 seconden.

De oude Egyptenaren verdeelden het zonnejaar in 12 maanden, ieder van 30 dagen, en nog 5 aanvullingsdagen. De Grieken hadden afwisselend een maand van 30 en van 29 dagen, zoodat hun jaar 6 X 59 of 354 dagen telde, dus meer dan 11 dagen te weinig. Daarom voegden ze in een periode van 8 jaar er nog 3 maanden, elk van 30 dagen, bij. Wel deed de Athener Meton in 432 v. Chr. de merkwaardige ontdekking, dat 235 synodische maanden vrij .juist 19 jaren uitmaken, doch ook door de invoering van dezen „cyclus van Meton" werd de Grieksche chronologie niet veel vereenvoudigd. De Romeinen verdeelden oorspronkelijk het jaar in 10 maanden, waarvan 6 ieder 30 en 4 ieder 31 dagen telden: hun jaar had dus 304 dagen. Later werden nog 2 maanden, één van 28 en één van 29 dagen bijgevoegd, zoodat men 361 dagen verkreeg. Om nu tot een gemiddeld getal van 365 te komen, werden 6 dezer 12 maanden een dag verkort en werd om het andere jaar een schrikkelmaand van 22 of 23 dagen bijgevoegd. Aan dezen warboel werd in 46 v. Chr. door Julius Caesar een einde gemaakt. Zie verder de artikelen Dag, Jaar, Kalender. [ 31.

Maanen (Cornelis Felix van) werd den 9den September 1769 te 's Gravenhage geboren, studeerde aan de Universiteit te Leiden en promoveerde aldaar den 22sten Juni 1793 tot doctor in de rechtswetenschap. Hij vestigde zich als advocaat in zijn geboortestad en werd er den 2den Februari 1795 benoemd tot gemeentesecretaris, op welke benoeming weldra die tot advocaat-fiscaal en substituut-procureur-generaal bij het Hof volgde. In deze laatste hoedanigheid werd hij, die zelf tot de gematigde patriotten