is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MAANGODIN

7

nymfen snelt zij door het woud. Zij heeft haar vermaak in het vrije leven in de natuur en verschijnt als jagende over de bergen. Zij wordt afgebeeld als de maagdelijke jageresse. Zoodra Apollo haar broeder tot een zonnegod was geworden, trad zij op als de Maangodin. Zij werd geïdentificeerd met Hekate, ook godin der maan, heerscheres over den nacht. Artemis werd vereerd meestal in vereeniging met Apollo, doch niet altijd. In Arcadia b.v. verschijnt zij als de jachtgodin zonder Apollo en werd in bosschen en bronnen vereerd. In Sparta werden haar in zeer oude tijden menschenoffers gebracht, die later werden afgeschaft. Toch bleef daar de gewoonte bestaan, dat op haar feest een jongen ten bloede toe werd gegeeseld om het altaar met dat bloed te besprenkelen. Artemis' bijnaam was de Taurische, omdat men meende, dat de cultus dezer godin door Iphigenia en Orestes uit Tauris was overgebracht naar Griekenland.

Beroemd vooral was de Efesische Artemis, bekend ook uit Hand. 19 : 23—40, welker beeldjes door Demetrius werden vervaardigd. Haareeredienst was over Azië verspreid en voor haar ook juichte de volksmassa te Efese, dat „groot was Diana der Efesiërs". De Efesische Artemis was oorspronkelijk de Aziatische natuurgodin, die met de Grieksche Artemis werd vereenzelvigd. Zij werd voorgesteld als een slanke, snelvoetige jageres, wier kort gewaad haar snelheid bevorderde. Gewapend met pijlkoker en boog, vertoonde haar gelaat eenige overeenkomst met dat van Apollo haar broeder. Doch als maangodin droeg zij lange kleederen, een sluier, fakkels in hare handen, een halve maan op het hoofd. De Romeinen noemden baar Diana, die vrijwel geheel met Artemis ident was. Ook Diana was godin der geboorten, godin der jacht en maangodin. En daar haar cultus door de Plebejers naar Rome was gebracht, gold Diana als hun schutsgodin en die der slaven. Haar door Servius Tullius, den volksvriend, gebouwde tempel stond op den Aventinus. Te Aricia werd haar in een bosch bij de bron Egeria een bloedige cultus gebracht, doordat telkenmale haar priester, die een weggeloopen slaaf was, zijn priesterschap in een tweegevecht met een anderen slaaf moest handhaven. Deze Diana werd met de Taurische Artemis vereenzelvigd. Haar dienst zou door Orestes of door Hippolytus den zoon van Theseus, die na zijn dood door Aesculapius en door Diana zou zijn opgewekt, naar Aricia zijn overgebracht.

De maangodin in Israëlsgeschiedenis. De volken der oudheid hebben op elkander een veel grooter invloed uitgeoefend dan men vroeger zich voorstelde. De latere ontdekking van de oudste beschaving, zooals die uit de opgravingen werd gekend, deed ook over de cultuur-uitwisseling een licht opgaan. In de Heilige Schrift was daarvan reeds te speuren en het nieuwe licht, dat uit het Oosten zelf over het grijs verleden opging, heeft de gegevens der Schrift bevestigd. Dat deze inwerking van buiten niet steeds zegenrijk is geweest voor Israël ligt voor de hand. Het ging met Israël evenals met de volken van onzen tijd. De vreemde gebruiken en gewoonten worden nagebootst en strekken niet altijd tot reinhouding van het volkskarakter. Zoo hebben ook de goden

en de eerediensten der heidenen rondom aan de zuiverhouding van Israëls Godsvereering schade berokkend. Het volk werd verleid tot het navolgen van vreemde goden, tot afval van den Heere, den God des volks. En zoo vinden wij ook de vereering van de maan en van het heir des hemels onder Israëls afgodendiensten vermeld.

De maan werd vereerd onder de gestalte van godinnen naar de wijze van Astarte, gelijk dit bij de volken rondom gewoonte was, onder de gedaante van een groenenden boomstam of staak, maar ook was directe vereering van de aan den hemel staande maan niet zeldzaam in Israëls geschiedenis. In het milieu, waarin Israël verschijnt, was dienst van de maan inheemsch, zooals uit in de Schrift ons bewaarde plaatsnamen blijkt. In Genesis 14:5 worden de Refaieten verslagen te Asteroth-Karnaïm, dat wijst op een vereering van Astarte, die met twee hoornen was afgebeeld. En Deut. 1 : 4 wordt van den koning van Bazan vermeld, dat hij te Astharoth woont. In Israël zelf heeft deze maanvereering nevens die van Baal, den zonnegod, zeer dikwijls grooten opgang gemaakt en de profeten des Heeren hebben van oudsaf zich daartegen met alle kracht verzet. Reeds bij de intrede in Kanaan werd Israël vermaand zijn oogen niet op te heffen naar den hemel, niet aan te zien de zon, de maan en de sterren, des hemels gansche heir, zich daarvoor niet te buigen en deze niet te dienen. Dat waren diensten der heidenen, waarmede Israël, het verloste erfdeel des Heeren, zich niet vergelijken mocht (Deut. 4 : 19, 20). De vereering der maan moest door steeniging met den dood worden gestraft (Deut. 17 : 3—5). En als Job zijn onschuld wil bewijzen en opsomt, hoe hij zich heeft gedragen, dan roemt hij zich ook onschuldig aan den afgodischen maandienst, als hij zegt, dat hij zijn vertrouwen niet heeft gesteld op een groot vermogen, op het vele, dat hij verkregen had en dan voegt hij er aan toe, dat hij het licht niet heeft aangezien, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande. Zijn hart was niet verlokt geweest in het verborgene, dat „mijn hand mijn mond heeft gekust". Dat toch zou een misdaad geweest zijn bij den Rechter, „want ik zou den God van boven verzaakt hebben". Daaruit blijkt, hoe diep Job er zich van bewust is, dat de dienst van zon en maan in strijd was met Gods bevel, maar ook wordt in die plaats duidelijk, dat de vereering der maan onder anderen ook plaats had doordat aan deze koningin des hemels kushandjes werden toegebracht (Job 31: 25—28).

Maar vooral treedt de dienst der maangodin in Israëls geschiedenis op den voorgrond onder de heerschappij der koningen, die zich door huwlijken vermaagschapten met de vorsten van de heidensche volken rondom. Uit de beschrijving van Josia's hervorming, ons bewaard in 2 Kon. 23, blijkt hoe diep de vreemde invloed in Israëls volksleven was doorgedrongen. Zelfs in den officieelen tempeldienst hadden heidensche eerediensten een plaats verworven. In den tempel werd gereedschap aangetroffen voor den dienst van Baal en net heir des hemels werd daar gediend. En overal in het land werden de heiligdommen aangetroffen, waarin niet de God van