is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MALEBRANCHE — MALEISCH

41

heeft Maleachi een rijke heilsbelofte. De gaven van juda en Jeruzalem zullen den Heere aangenaam zijn als eertijds (3 : 4); de Heere zal hun de vensteren des hemels openen, zoodat de volken hen gelukkig zullen prijzen (3 : 10 v.v.). Ja, er ligt een gedenkboek voor Zijn aangezicht, waarnaar Hij Dengenen, die Hem vreezen, zal vergelden (3:16 v.v.). De zon der gerechtigheid gaat over hen op (4 : 2).

Speciale vermelding verdient nog Maleachi's voorzegging van tweeërlei „bode" in 3:1. Degene, die hier „Mijn bode" wordt genoemd, heeft tot taak, den weg te bereiden voor de komst des Heeren. Deze is dus dezelfde, die in 4 : 5 v. genoemd wordt de profeet Elia. Deze profetie is vervuld in Johannes den Dooper (Luc. 1:76; Matth. 11 : 10; Mare. 1:2; Luc. 7: 27). — Anders staat het met den in 3:1 ook genoemden „Bode des verbonds". Deze staat blijkens het parallelloopende verslid op dezelfde lijn als de Heere zelf; en dus is de bedoeling, dat de Heere zelf in dezen „Bode des verbonds" aanwezig is. Dit blijkt ook duidelijk uit de toevoeging „aan denwelken gij lust hebt", wat terugslaat op de ongeduldige vraag naar „den God des gerichts" (2 : 17). Deze Bode of Engel is dus Dezelfde als de elders voorkomende Engel des Heeren, en niemand anders dan de Messias, in wien God zelf tot Israël komt, en die „Bode des Verbonds" kan heeten, omdat hij van het verbond de Middelaar is.

Maleachi is de laatste profeet der oude bedeeling. Sinds zijn tijd spreken de Joden dan ook van het verdwijnen der profeten (1 Macc. 9 : 27). [ 4.

Malebrancbe (Nicole), Fransch priester, broeder van het „Oratorium Jesu", beoefende de wijsbegeerte. Geboren 1638, f 1715. Hoofdwerk De la recherche de la verité (1675), verder van beteekenis: Entretiens sur la métaphysique et sur la religion (1688). Een uitvoerig artikel over hem verscheen in l'Année phtlosophlque III en IV van F. Pillon. Zijn werken werden opnieuw uitgegeven bij J. Simon (Parijs, 1871).

Zijn filosofische standpunt is dat van het occasionalisme, dat ook door Arnold Geulinx (zie aldaar) werd verdedigd. Besprak Geulinx vooral het samengaan van de gebeurtenis in de stof en den menschelijken geest, Malebranche breidde dit parallelisme uit tot alle gebeurtenissen en wisselwerkingen in de natuur. In heel de natuur is alzoo een werking Gods aanwezig om de dingen te leiden en te doen bewegen op zulk een wijze, dat innerlijke prikkel en uiterlijke reactie samen gaan. En dit standpunt handhaafde hij dan weder, door de leer van de raison unlverselle, waarbij hij betoogde, dat alle geesten modificaties (zooiets als bestaanswijzen) van God waren, evenals alle lichamen bestaanswijzen,van de de ruimte vullende materieele massa zijn. Zoo wordt God een „plaats der geesten", evenals de ruimte de plaats der lichamen is. Voor Malebranches kenleer heeft deze opvatting eveneens groote beteekenis. Onder invloed van Cartesius moest hij wel aannemen, dat wij de stoffelijke wereld niet onmiddellijk kunnen kennen. Maar wijl de ideeën en de vormen van alle dingen in God zijn, en onze geest een modificatie

is van Gods Geest, kennen wij die ideeën in God. Daar nu deze ideeën gelijk zijn aan de vormen der buitenwereld, kennen wij ook deze, krachtens den regel, dat, als a = b en a = c, wij, indien we b juist kennen als gelijk aan a, ook practisch op de hoogte zijn met den toestand van c. Malebranche betoogde, dat hij, bij zijn systeem, „alle dingen kende in God".

We doen nog opmerken, dat door onderscheiden nieuwe psychologen de occasionalisten beschouwd worden als voorloopers van de school van het „psychophysisch parallelisme". [ 51.

Maleïer. De naam Maleier wordt gebezigd in meer beperkten en in uitgebreiden zin. In wijde beteekenis bedoelt men in de volkenkunde met Maleiers alle inlandsche stammen van Nederiandsch-Oost-Indië, met uitzondering van de Papoea's. Zoo wordt ook gesproken van het Maleische ras als één der menschenrassen.

In engeren zin bedoelt men met Maleiers eenige bepaalde stammen: de Minangkabau-Maleiers in de Padangsche Bovenlanden; de bewoners van de Riouw-Lingga Archipel en een deel van de Oostkust van Sumatra; vervolgens de bevolking in de kust-staten van Malakka en eindelijk de koloniën op Borneo en elders (op eilanden of in kustplaatsen). [ 39.

Maleisen. Men onderscheidt het LaagMaleisch van het Hoog-Maletsch. Het LaagMaleisch is de algemeene omgangstaal in Nederlandsch-Indië geworden. Daar de Maleiers van Malakka onder de eersten behoorden, die aanraking hadden met Europeesche zeevaarders, werd hun taal door dezen gebruikt, om zich verstaanbaar te maken tegenover andere volken in den Indischen Archipel. Driemalen is het Maleisch dienstbaar gemaakt aan de uitbreiding van gezag of vreemde macht, als vervoermiddel van de beschaving: 1. door den Islam; 2. de Portugeezen; 3. de Compagnie en later de Indische Regeering. Zoodoende werd het . Maleisch de bemiddelingstaai in ons Indië.

Het Maleisch als voertuig van den Islam werd door dezen godsdienst sterk beïnvloed. Niet alleen werden daardoor een groot aantal Arabische woorden met het Maleisch vermengd, maar ook het Arabisch letterschrift werd voor deze taal gebruikt.

Het litteraire of Hoog-Maletsch is de taal die gesproken wordt in Djohor op Malakka, den Riouw en Lingga Archipel, de Oostkust van Sumatra en Noord-West Borneo.

De oudste geschreven Maleische letterkunde bestaat uit geschiedverhalen, die een mythisch karakter dragen, terwijl de oorsprong der vorstenhuizen legendarisch van Alexander den Grooten wordt afgeleid. Daarnaast bestaan romantische hikajats (verhalen); en godsdienstige historiën over Mohammed en zijn familieleden.

Een vrij groote rubriek der Maleische letterkunde omvat gedichten; men kent hoofdzakelijk tweeërlei vorm van poëzie: sjair en pantoen; de sjair een deftig gedicht, een beschrijving of verhaal; de pantoen, de Maleische volkspoëzie in vierregelige coupletten.

Een zeer oude pantoen is:

Apa goena pasang palita, kalau tida dengan soemboehnja ?