is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

66

MARCOMANNEN — MARCUS

het Hof te Arnhem gevestigd, ontving hij het beroep als hoogleeraar te Duisburg. Den 12den December 1753 aanvaardde hij echter een juridischen leerstoel aan de Universiteit te Groningen met een Oratio de flnibus jurisprudentiae optimhque ad eos obtinendos mediis. .Hij doceerde met grooten ijver het Algemeen Staatsrecht, het Natuur- en Volkenrecht, het Kerkrecht en het Romeinsch recht, vergeleken met het Vaderlandsch of Groningsen recht (Jonckbloet, Gedenkboek der Hoogeschool te Groningen, 1864). Prof. Rutgers zegt van hem: .Van der Marck heeft van het college in het kerkrecht wel het meeste werk gemaakt, maar bij hem was het kerkrecht en eigenlijk ook de dogmatiek en de moraal, die hij daaraan ten grondslag legde, slechts een onderdeel van het ius naturae. En gelijk de theologie, die hij voordroeg dientengevolge niet anders was dan rationalisme en naturalisme, zoo was door dezelfde oorzaak zijn kerkrecht zuiver collegiaal. Hij ging zelfs nog verder dan men in zijn Duitsche vaderland toen gewoon was; want nog boven alle rechten, die de kerk als collegium hebben kon, liet hij deze twee beginselen gelden: aan de Overheid, ook op kerkelijk gebied, alle macht van wetgeving en van uitvoering; en in de kerk zelve tolerantie, in den zin van leervrijheid, slechts beperkt door de grenzen, die de Overheid uit staatsbelang noodig zou achten. In die kerk konden, volgens hem, de Formulieren van eenigheid daarom toch wél blijven. Hij ontraadde zelfs elke poging om ze te veranderen of af te schaffen, daar dan nieuwe twist, en misschien wel uitbreiding van die Formulieren te wachten was. Maar men zou ze kunnen handhaven, en dan tevens practisch de leervrijheid invoeren. Wat dus op dit college van kerkrecht met zooveel ijver en bekwaamheid gedoceerd werd, was dus eigenlijk juist het tegendeel van Gereformeerd Kerkrecht" (F. L. Rutgers, De Geldigheid van de Oude Kerkenordening der Nederlandsche Gereformeerde Kerken, 1890, bl. 6 en 7). Op minachtende wijze liet Van der Marck zich over Voetius, den Papa Ultrajectinus uit, wiens Politica Ecclesiastica in zijn kring een .liederlijk Boek" werd genoemd (S. D. van Veen, Uit de vorige eeuw, 1887, bl. 164). Van der Marck, die de geldigheid van het Romeinsch als subsidiair recht in Themis' zalen ontkende, kreeg het eerst met de Romanisten, maar weldra ook met de Theologen aan den stok. Jonckbloet noemt hem daarom het eminente slachtoffer der onverdraagzaamheid (a. b., bl. 129), al moet hij erkennen, dat hij niet altijd de voorzichtigheid betrachtte. Eerst werd hij door den Groninger predikant Theodorus Brunsveld de Blau „weegens den verbazenden en buitensporigen ophef der natuurwet in verdenkinge van onrechtsinnigheden" gebracht. Den 11 den October 1771 kwam echter een missive bij den Senaat in van de Classis Groningen, die verscheidene gravamina behelsden tegen zijn boek: Lectlones Academicae, die naar het oordeel der Classis schenen af te wijken .van de aangenoomene Leere der Hervormde Kerke en formulieren van eenigheid". Jonckbloet schrijft al te partijdig: „De supraorthodoxie goot de fiolen van haren toorn uit

over het hoofd van hem, dien zij niet vergat een Remonstrant, Sociniaan en Pelagiaan te schelden". En hatelijk is zijn opmerking: „Van der Marck erkende de predikanten niet als middelaars tusschen God en den zondigen mensch" (a. b., bl. 135). Zeer juist schrijft professor Van Veen: „In dezen strijd was het recht niet aan de zijde van Van der Marck" en: „Bij dezen strijd ging het in den diepsten grond om het recht der kerk" (a. b., bl. 182). De procedure liep dan ook voor Van der Marck ongunstig af. Den 2den Februari 1773 werd hij bij decreet van den Senaat der Universiteit van zijn hoogleeraarsambt vervallen verklaard. Van der Marck, die spoedig na zijn ontslag Groningen verl'et, trad achtereenvolgens te Lingen, te Deventer en te Burgsteinfort weer als professor op. Zelfs werd hij in 1795, bij de revolutie, te Groningen in zijn ambt hersteld, een teeken, dat zijn beginselen eindelijk de overwinning hadden behaald.

Den lsten November 1800 eindigde zijn veel bewogen levensbaan. Twee jaren te voren was zijn vrouw, Agneta van der Horst, hem ontvallen. Een groot aantal geschriften verschenen van zijn hand. [ 18.

Marcomannen, een naam, die aanduidt de aan de grenzen (mark) wonende mannen. Hij wordt gegeven aan de mannen, die Caesar telt onder de volken van Ariovistus. Ze schijnen gewoond te hebben tusschen den middenloop van Elbe en Oder. Marbod bracht ze in 10 v. C. naar Bohemen, waar zij een machtig rijk stichtten, in 88 n. C. wisten ze een aanval van keizer Domitianus af te slaan. In de 2de eeuw drongen zij door in het Romeinsche rijk. Na een 15 jarigen oorlog rukten ze voort tot Aquileja. Marcus Aurelius had groote moeite om ze terug te dringen. In 270 drongen ze weder vooruit. Ze bereikten toen Ancona en brachten Rome in ontsteltenis. Aurelius wierp ze achter de Donau terug en dwong hen om vrede te sluiten. Na de 4e eeuw verdwijnt hun naam uit de geschiedenis. Sommigen meenen, dat ze de stamvaders der Beieren zijn. [ 24.

Marcus. I. a. In het Nieuwe Testament is Marcus de naam van een Johannes, een Jeruzalemsch Christen, wiens moeder Maria een huis te Jeruzalem bezat (Hand. 12 : 12) waar de geloovigen plachten bijeen te komen.

Met enkel zijn Joodschen naam Johannes wordt hij door Lucas vermeld Hand. 13 : 5, 13 als metgezel en helper van Paulus en Barnabas; zijn Latijnsche naam Marcus wordt erbij gevoegd Hand. 12 : 12, 25 en 15 : 37.

Tusschen Marcus en Petrus bestond blijkens Hand. 12 : 12 een nauwe betrekking; Petrus noemt hem 1 Petr. 5 : 11 zijn „zoon" d. w. z. in overdrachtelijken zin; vermoedelijk is Marcus door Petrus gedoopt.

Marcus' verwantschap met Barnabas, wiens neef hij was (vgl. Col. 4 : 10) verklaart zijn medegaan met Barnabas en Paulus (Hand. 13); zijn teruggaan halverwege (Hand. 13 : 13) deed tijdelijk een verwijdering tusschen hem en Paulus ontstaan (Hand. 15 : 48) die later echter geheel blijkt geweken: tijdens Paulus' gevangenschap te Rome is Marcus bij den apostel (Col. 4 :10; Filem. 24).