is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

68

MARCUS EREMITA — MARESIUS

verbetering van het rijksbestuur zijn aandacht te wijden. Hij schreef Zelfgesprekken (Hs iavror). Tegen de Christenen trad hij meer dan eens op, hoewel hij een humaan man was. Hij kon plaatselijke vervolgingen niet verhinderen. Zeer fel was hij gekant tegen vreemde godsdiensten. Justinus Martyr richtte een zijner apologieën tot hem. [ 24.

Marcus Eremita, Grieksch kerkvader, leerling van Chrysostomus. Hij leefde omstreeks 430 als abt van Ancyra, daarna als kluizenaar. Zijn geschriften zijn zeer verscheiden van vorm. Het zijn 400 korte uitspraken, verhandelingen, een gesprek en een brief. Wat den inhoud aangaat zijn de geschriften alle van ascetischen aard. Slechts twee geschriften zijn dogmatisch van karakter, een tegen de Nestorianen en een over Melchizedek. Marcus Eremita was een mystiek man met diepen levensernst. Hij had voorliefde voor het monnikenwezen, maar onderschatte de gevaren van het monnikendom niet (zelfverheffing en eigengerechtigheid). Op dogmatisch terrein was de Bijbel en niet de speculatie zijn bron. Dat hij reformatorische inzichten gehad heeft (zoo o.a. Flacius) is niet juist. De evangelische leer der genade zat bij hem vastgekoppeld aan de Catholieke leer tan de verdienstelijkheid der goede werken. [ 24.

Marcus Eugenicus, sinds 1437 aartsbisschop van Efeze. Deze man was een tegenstander van de vereeniging der Oostersche en Westersche kerk, zooals die gezocht werd op de conciliën van Ferrara en Florence in 1438 en 1439. Hij bestreed die zoo fel met woord en geschrift, dat hij in Constantinopel en Efeze zich niet handhaven kon. De oorzaak van zijn bestrijding lag in dogmatisch-religieuze overwegingen en niet in politieke beschouwingen. Behalve strijdschriften leverde hij ook geschriften over de leer der Drieëenheid, het vagevuur e.a. Daarenboven schreef hij stichtelijke tractaten. De Grieksche kerk telt hem onder haar heiligen. [ 24.

Mardoek, oorspronkelijk niets meer dan de stadsgod van het kleine Babel, is met zijn stad tot steeds hooger eer geklommen. Evenals Babel de eerste werd der West-Aziatische steden, zoo is Mardoek de eerste geworden der WestAziatische goden. De stadsgod is geworden tot oppergod, die de trekken van zoovele andere in zich heeft opgenomen, dat het bijna onmogelijk is met zekerheid te zeggen wat hij oorspronkelijk geweest is. Waarschijnlijk is hij gedacht als zonnegod, al is hij ook gezien als stormgod. Een oude Babylonische kroniek zegt reeds, dat hij toornde tegen Sargon van Akkad (pl.m. 2700 v. Chr.) en hongersnood veroorzaakte in Babylonië. Toen Babel door Chammoerapi wereldstad werd, groeide ook Mardoek. Anoé en Bel moeten hem het wereldbestuur afstaan en een eereplaats inruimen onder de hemelgoden (Igigi). Onder Chammoerapi's opvolger wordt hem het bevel gegeven over de vier wereldstreken en een eerenaam onder de aardgoden (Anoennaki). Hij wordt gaarne genoemd „oudste zoon van Ea" en zijn schittering verdonkert Ea's heerlijkheid. Zoo wordt hij de schepper-god, de god der wijsheid, ook die der genezing, terwijl

hij eindelijk leven en vruchtbaarheid schenkt. Op Nieuwjaarsdag houdt Mardoek in zijn tempel Esagila (— het huis met het hooge hoofd), die in pyramidalen vorm zich met zeven verdiepingen hemelwaarts verheft, als de koning der goden zijn receptie en worden onder zijn presidium in den raad der goden de beschikkingen voor het komende jaar getroffen.

Mardoek heeft den val van Babel niet overleefd. Wel verklaart nog Antiochus Soter (280— 260 v. Chr.), dat hij heeft laten werken aan Mardoeks tempel, maar ook Esagila is ingestort onder de vernietigende werking van mensch en weder (Jer. 50 : 2). [ 3.

Marésa is een stad, die behoord heeft tot het heuvelland van Juda (Joz. 15': 44) en waarschijnlijk gezocht moet worden in of bij den huidigen Teil Sandahanna, den „heuvel van Sancta Anna, de heilige Anna". In 1 Kron. 2:42 en 4 : 21 wordt verband gelegd met Kaleb. De stad is versterkt door Rehabeam (2 Kron. 11:8) en vlak bij haar overwon Asa van Juda de Koesjieten (2 Kron. 14 : 9v.). Uit haar kwam dein 2 Kron. 20 : 37 genoemde profeet Eliëzer, de zoon van Dodava. In de Makkabeesche periode was de stad in de macht der Idumeërs, waarom Judas ze plunderde, terwijl Johannes Hyrkanus ze innam. Pompejus gaf haar aan de Idumeërs terug. De Parthen hebben haar verwoest (40 v. Chr.). In de Teil Sandahanna, die in 1898 en 1902 onderzocht is, vond men een groot aantal onderaardsche gewelven en de beroemde beschilderde rotsgraven uit de 2e helft van de 3e eeuw v. Chr. met tal van Grieksche inschriften en afbeeldingen van dieren. [ 3.

Mareslns (Samucl) of Desmaretz, werd den 9den Augustus 1599 te Oisement in Picardië als zoon van David Desmaretz, heer van Feret, geboren en overleed te Groningen 18 Mei 1673. Al jong blonk hij in de kennis van de oude talen uit en op 13-jarigen leeftijd ging hij reeds naar Parijs om er zijn academische studiën aan te vangen. Van Parijs trok hij naar Saumur, waar hij Gomarus volgde en, na diens vertrek, naar Genève, waar hij in 1618als Samuel Desmaretz Picardus werd ingeschreven. In 1619 was hij weer in Parijs om zich onder den weisprekenden predikant Samuel Durant voor den predikdienst te bekwamen. Op de Synode van Charenton in 1620 onderwierp hij zich met gelukkigen uitslag aan zijn proponentsexamen, waarbij hij den naam kreeg van le petit proposant (hij was zeer klein van statuur). Te Laon verbond hij zich aan de Hervormde kerk (zie: J. Pannier, PEgliseRéformée de Paris, I, 1922, p. 511). Na een feilen strijd met de Jezuïeten en een aanslag op zijn leven, keerde hij in 1623 naar Parijs terug. Den 19den juni 1625 liet hij zich aan de Leidsche academie immatriculeeren en den 8sten Juli van dit jaar promoveerde hij op een dissertatie de Justificatione. Hierop trok hij naar Oxford en den 24sten November 1625 aanvaardde hij een professoraat te Sédan met een inaugureele oratie de tnlqua disputandi nobiscum methodo a JesuUis usurpata. Den 2den Mei 1628 trad hij in het huwelijk met Abigail le Grand. In 1631 vergezelde hij den heer van Turenne als hofprediker in de Nederlanden. In 1632 werd hij predikant bij de Fransche Ge-