is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MASSORA — MASTABA

99

Bourdaloue, maar hij had een zekere zalving, die een diepen indruk maakte, een zeldzame vereeniging van strengheid en innigheid. Hij had een indrukwekkend voorkomen, een liefelijke stem en een behagelijke elegantie in zijn voordracht. Daarbij sprak hij een schoone taal. Bij Bossuet stond het dogma op den voorgrond, bij Massillon meer de ascetische moraal. In zijn Petit Carême liet hij stoute woorden hooren, die aan het hof te Versailles vroeger nooit gehoord waren. Hij veroordeelde eerzuchtige begeerte naar den oorlog, predikte de noodzakelijkheid van de ondergeschiktheid des konings aan de wet des Heeren. Om dezen niemandsparenden ernst werd Massillon door de filosofen van de 18e eeuw, in het bijzonder door Voltaire, als een voorbeeld van echte kanselwelsprekendheid geprezen.

Zeer bekend is wat gebeurde bij de begrafenis van Lodewijk XIV. Massillon was opgetreden als grafredenaar. Hij zei eerst niets en, toen alles doodstil geworden was, riep hij: „Dieu seulest grand, mes frères". De prins*regent benoemde hem tot bisschop van Clermont, en de Fransche academie benoemde hem tot medelid. De rest van zijn leven bracht Massillon door in het trouw vervullen van zijn bisschoppelijke plichten. Van preeken begon hij zich te onthouden, omdat zijn geheugen zeer zwak werd. Nu en dan hield hij nog toespraken voor de geestelijken in zijn diocese (discours synodaux). Hij stierf in 1742. Algemeen werd zijn heengaan betreurd. Men vindt zijn werken tezamen in Sermons et morceaux choisis de Massillon, 1816. [ 24.

Massora of Masora, afgeleid van "\Dö, masar,

dat in 't latere Hebreeuwsch overleveren beteekent, is allengs de vaststaande naam geworden voor de overlevering in betrekking tot den tekst des Bijbels van het Oude Testament; zij, die zich met deze overlevering bezighielden, heetten masoreten.

Het woord masora komt 't eerst voor in Ezechiël 20 : 37 en beteekent daar band of keten.

De massora is een systeem van critische aanteekeningen op den uiterlijken vorm van den Bijbeltekst.

Dit systeem vertegenwoordigt den litterairen arbeid van een ontelbaar aantal joodsche werkers, die aanving waarschijnlijk reeds in den vóór-Maccabeeschen tijd, en doorgaat tot het jaar 1425, toen de Massora gedrukt werd.

De bedoeling der Masoreten was, den heiligen tekst zoo zuiver mogelijk te bewaren en over te leveren.

Zoo trof men maatregelen, om voortdurende controle der handschriften mogelijk te maken. Een daarvan b.v. was, dat me* telde, hoeveel verzen, woorden of letters in den ganschen Bijbel of in afzonderlijke deelen ervan vervat waren.

De Masoreten vormden verschillende scholen, die niet alle van dezelfde opvatting waren.

Zoo stonden niet alleen de Palestijnsche en Babylonische scholen soms tegenover elkander, maar ook was er verschil tusschen de scholen in Palestina of in Babylonië onderling.

Vooral heeft zeer lang de masoretische studie gebloeid in Tiberias in Palestina.

Door de Masoreten werden aanteekeningen gemaakt bij den tekst des Bijbels.

Deze aanteekeningen onderscheidt men in de kleine of binnenste Masora en de groote of buitenste Masora.

De kleine Masora staat op de zijranden en tusschen de kolommen, de groote Masora op de randen onder en boven den tekst.

En aan 't eind van den tekst volgt dan nog de Masora finalis of Slotmasora. Dit is een soort mazoretisch woordenboek. Het bevat in alfabetische orde behalve vele uitvoerige tekstaanwijzingen en algemeene uitspraken ook verwijzingen naar het in de groote Masora meegedeelde. De beroemdste van alle Masoreten is Aaron ben Mozes ben Ascher, die in de eerste helft der 10e eeuw in Tiberias arbeidde.

Door dezen en door Ben Naftali, die in vele punten van hem verschilde, is de Masora tot afsluiting gekomen.

De Joodsche geleerden, die na Ben Ascher zich met den Bijbeltekst bezighielden heetten Naqdanim, punktatoren; zij brachten allengs den gepunkteerden of gevocaliseerden tekst tot stand.

Het is de verdienste van Jakob ben Chajjim ibn Adonija geweest, om het omvangrijke masoretische materiaal, dat in de voor hem bereikbare handschriften verstrooid was, te verzamelen, en systematisch te ordenen in de tweede Bomberg uitgave van het Oude Testament (Venetië 1524—1525).

Zijn uitgave is geworden de textus receptus der Masora.

Voor literatuur, zie: Levius, in The Jewish Encyclopedia VIII, 1904, p. 365—371, Strack, in: Herzog, R. E.3 XII, p.393—399, Hamburger Real. Ene. II, p. 1211—1220, en Suppl. IV, 1897, p. 52—68, Schürer, Geschichte des Judischen Volkes, 4e druk, Dl. II, p. 389, Steuernagel, Lehrbuch der Einlettung in das Aite Testament, 1912, p. 22—34, bij welke schrijvers men verdere uitvoerige literatuuropgaven vindt. [ 49.

Mastaba is een Arabisch woord en beteekent bank (de uit leem of tegels opgebouwde bank voor het huis). Wegens de overeenkomst in vorm tusschen deze banken en de grafkamers der rijksgrooten van het Oude Rijkin Egypte, heeft men den naam mastaba gegeven aan de graven der rijksgrooten. Rondom de pyramiden, waarin de koningen bijgezet waren, richtten de voornamen des rijks hun mastaba's zoodat ze zich ook in den dood nog rondom den heerscher schaarden als eens bij hun leven aan het hof. Boven den grond verhief zich een groot, rechthoekig, in doorsnee trapeziumvormig gevaarte, dat, behalve dan dat er eenige kamers in waren, overigens massief gebouwd was. In den vroeg-historischen tijd werd dit soort van grafgebouwen ook gebezigd voor het koningsgraf. Trouwens de mastaba's der edelen ten tijde van het Oude Rijk zijn zulke bouwgevaarten geworden, dat een paar eeuwen te voren een koning er trotsch op 20U zijn geweest, als hij er had bezeten. Zoo bevat de graftombe van den vizier van Pepi I niet minder dan 31 kamers. Wat den bouw van de mastaba betreft, het eigenlijke graf lag diep onder de aarde; men boorde een verscheiden meters diepen, loodrecht naar beneden loopenden put in den rotsbodem. Vanaf