is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MAURICE

111

gische en kerkelijke kwesties het licht zagen.

Toen hij in 1853 ontslagen werd uit het hoogleraarsambt op grond van beschouwingen over den eeuwigen dood trachtten de werklieden, wier vertrouwen hij gewonnen had, hem te bewegen, een .college" voor hen op te richten, 't geen in het volgend jaar werkelijk geschiedde. Zijn arbeid aan dit college en in de coöperatieve beweging nam hem nu grootendeels in beslag. In 1866 ontving hij de benoeming tot hoogleeraar in de Ethiek te Cambridge, waardoor hij met zijn vriend Kingsley vereenigd werd. Intusschen was hij ook als predikant verbonden aan de St. Peterskerk te Londen. Zijn arbeidsveld werd te groot voor zijn jaren, zoodat hij achtereenvolgens meerdere posten moest opgeven. Na 11 Februari 1872 het laatst te Cambridge gepreekt te hebben, overleed hij op den 2en Paaschdag (1 April) van dat jaar. „Deze kwam tot een getuigenis om van het Licht te getuigen" zoo Staat er op zijn buste in Westminster Abbey. En men zeide, dat de wereld donkerder scheen, > nu hij haar verlaten had.

Het uitgangspunt van theologie, kerk en maatschappij is voor Maurice de werkelijkheid van Ihet Koninkrijk Gods. Dat God Koning is, is de [bezielende kracht van zijn leven en arbeid. God [heeft de beginselen en normen voor al het geIschapene gesteld, de aarde is des Heeren en hare volheid. In het koninkrijk Gods, in Christus als het Hoofd der menschheid ligt het vaste fundament voor het persoonlijk leven, en voor het maatschappijleven.

De Kerk is voor Maurice niet zoozeer de vergadering der ware Christ-geloovigen als wel een getuige van het Koninkrijk Gods, de ware opvoedster, die den mensch ziet in zijn verhouding tot God, en in het verband van gezin en natie, waarin God hem plaatste als deel der menschheid.

In zijn werk Social Moratity, vertaald in het Nederlandsch onder den titel De zedelijke grondslag der maatschappij behandelt hij de zedelijke levensbeginselen voor het gezin als eerste kring van de gemeenschap. Als zoodanig noemt hij in de verhouding van ouders en kinderen: gezag en gehoorzaamheid; in de verhouding van man en vrouw: trouw en vertrouwen ; in de verhouding van broeders en zusters: broederschap; in de verhouding van heer en knecht: wederzijdsche afhankelijkheid en wederzijdsch dienen.

De tweede kring van gemeenschap, het nationaal verband, brengt in de sfeer van wet en recht. Het zedelijk levensbeginsel van het nationale leven is de eerbied jegens het gezag der Wet, waarvan de regeering vertegenwoordigster is, en waaraan ook zij zelve is gebonden. Tot handhaving van wet en recht, en daarin van de mogelijkheid om eigen roeping te vervullen, kan oorlog noodzakelijk zijn.

In het derde verband, dat der geheele menschheid, is de hoogste roeping der menschen, dat «ij leven zullen in het Koninkrijk van den Vader als kinderen in gehoorzaamheid en tot offer bereid, dat zij als beelddragers Gods onderling als broeders zullen verkeeren in dienende liefde.

Van deze zedelijke levensbeginselen door¬

drongen, heeft Maurice met heilig vuur aan de Christenheid en aan de Kerk 't geen hij zag als haar sociale roeping voorgehouden en aan hen, voor wie Kerk en Godsdienst een aanfluiting waren heeft hij op zijn wijze Christus gepredikt en den Goddelijken eisch voor persoonlijk- en gemeenschapsleven verkondigd. De erkenning van het rentmeesterschap en van het ambt of de bediening van elkeen voor God en menschen zijn voor Maurice de twee groote levenselementen van een Christelijke maatschappij. Tegenover de klassieke school met haar individualisme en haar verheerlijking van de moordende concurrentiejacht, waarin de arbeiders als machines werden behandeld en hun werkkracht als marktwaar werd beschouwd, stelde Maurice den Christelijken eisch van saamhoorigheid, van menscheltjk leven naar lichaam en geest, van Gods Koninkrijk en den mensch in dat Koninkrijk, op de plaats door God hem aangewezen.

Vooral sinds 1848 heeft Maurice met zijn vrienden Kingsley, Thomas Hughes, Ludlow e.a. meer intens door het gesproken en het geschreven woord de geesten trachten te bewerken om betere toestanden in het leven te roepen. In 1850 is hij van oordeel, dat hun gemeenschappelijk streven den naam moet dragen van Christen-socialtsme, als een protest tegen onsociale Christenen eenerzijds en tegen onchristelijke socialisten andererzijds, als een korte samenvatting van hun overtuiging, dat een Christen „saamwerking" moet erkennen als het ware levensbeginsel der menschheid, die immers in Christus een broederschap is.

Op coöperatie als uiting en bevestiging van en opvoeding tot de broederschap der ware solidariteit,. mede als een voorziening tegen de nooden van den tijd, werd nu het oog gericht. De werkelijkheid heeft ook op dit gebied op verre na niet aan Maurice's hooggestemde verwachtingen beantwoord, maar toch is het protest der Christelijk-sociale actie tegen de ellende van den huisarbeid, toch is het steunen van de coöperatieve beweging ook door op wettelijke bescherming en regeling aan te dringen, niet zonder tastbaar geestelijk en stoffelijk resultaat gebleven.

Overzien wij het leven en den arbeid van Maurice, dan dringt zich de gedachte aan ons op, dat hij te veel vooruitgreep naar den dag van Christus' toekomst, dat hij te zeer de grenzen uitwischte tusschen de gemeente en de wereld, dat hij te weinig rekening hield met de economische zijde der vraagstukken.

Daardoor werd hij telkens teleurgesteld in de vruchten van zijn eigen arbeid, en in de onvolmaaktheid, die ook het werk zijner vrienden aankleefde. Gelukkig, dat hij door zijn getuigen en zijn opvoeden, waarin z"jn grootste kracht lag, met absoluutheid kon uitspreken wat bij God/s en naar Gods wil hier op aarde zijn moet.

Zoo heeft hij bijgedragen tot versterking van het gemeenschapsgevoel, tot verhooging van het geestelijk en zedelijk peil in hoogere en lagere kringen, tot opwekking van het verantwoordelijkheidsbesef. En doordien hij te midden van het wisselend maatschappelijk leven met zijn altijd nieuwe vormen en problemen de eeuwige, onveranderlijke beginselen, de ordinantiën Gods met