is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MEF1B0SETH —

446 mm. en de el in Ez. 43 : 13 v.v. genoemd op 550 mm.: de zoogenaamde koninklijke el van de Babyloniërs. Ezechiël neemt deze maat omdat die ook ten grondslag lei van den tempel van Salomo (2 Kron. 3 : 3). Dit meetriet nu wordt verder genoemd in Ezech. 42 : 16—19. Cursief gedrukt komt het woord nog voor in Ezech. 45 : 1; 48 : 8, 16, 20 en 21. De Statenvertaling heeft in hoofdst. 45 : 5 wel hetzelfde getal vijf en twintig duizend, als in vers 1, doch niet een lengtemaat opgegeven, ook niet cursief. De Lëidsche vertaling heeft beide malen el. In het Hebreeuwsch wordt de getelde zaak bij de telwoorden meermalen weggelaten. Zoo staat in onze vertaling in Ez. 42:20, vijf honderd rieten, terwijl dit woord in het Hebreeuwsch is weggelaten.

Van meetroede is sprake in Ps. 74 : 2, Jer. 10 : 16 en 51 : 19, in de uitdrukking: roede Zijner erfenis; het wil zeggen: het van God toegemeten deel, in den zin, waarin de psalmist het zoo schoon uitdrukt: de snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen, ja, een schoone erfenis is mij geworden (Ps. 16 : 16). Ook in Openbaring 11 : 1 wordt van eene mee/roede gesproken, hoewel in den tekst alleen het woord roede staat, „een rietstok, een meetroede gelijk".

Eindelijk komt nog de samenstelling voor van meetsnoer. Dit was gemeenlijk van linnen (Ez. 40 : 3), en diende eenvoudig om iets af te meten (Ez. 47 : 3); vooral als er iets gebouwd zou worden, Zach. 2 : 1, 1 : 16: het snoer van den timmerman; de Luthersche vertaling heeft: Ztmtnetschuur: Het wordt in Job 38 : 5 het richtsnoer genoemd, eveneens in Ps. 19 : 5 en in denzelfden zin, maar dan overdrachtelijk, in jes. 28 : 17, alwaar het in eenen adem met paslood wordt genoemd. Dezelfde gedachtengang wordt gevolgd in Jes. 34:11 en 17. Als timmermanswerktuig komt het voor in het schoon gedeelte van Jesaja, waarin hij Gods oppermajesteit en de ijdelheid der afgoden teekent (Jes. 44:13). Het trekken van het richtsnoer beteekent meermalen verwoesting (Amos 7 : 17; jes. 34 : 11; Klaagl. 2 : 8). Dan heeft het de tegenovergestelde beteekenis als waarin het voorkomt op andere plaatsen zooals in Deut. 32 : 9 en in Ps. 16 : 6. [ 8.

Mefiboseth. Zoo heette een zoon van Saul, die opgeofferd werd aan de bloedwraak der Gibeonieten (2 Sam. 21:8 v.v.). Eenzelfden naam droeg ook Jonathans kreupele zoon, die Davids gastvriend werd (2 Sam. 9). De naam is een vervorming van Merï-baal („mijn heer of man is Baal" 1 Kron. 9 : 40), dat eerst vervormd werd tot mërïbbaal („bestrijder van Baal, zie 1 Kron. 8 : 34) en daarna tot mëfi-bósjet („verspreider [?] van schande, 2 Sam. 4 : 4e.e.).

Lam geworden ten gevolge van een val bij de blijkbaar overhaaste Vlucht van Sauls familie na diens ondergang op Gilbóa (2 Sam 4 : 4), brengt hij zijn jeugd door in het Overjordaansche, waarheen de zijneq zich hadden terugget okken (2 Sam. 2 : 8 v.v.). Daarom vindt David hem op aanwijzing van Siba in het Gileaditische Lodebar, wanneer deze bewijzen wil zijn dynastieke belangen op gansch andere wijze te verstaan dan Oostersche koningen, die de voorgaande dynastie

MEGALOSAURUS 137

geheel uitroeien (verg. 1 Kon. 15:29; 16:11 e.e.). Naar Jeruzalem gebracht, hergeeft David hem de goederen zijner familie, waarover Siba rentmeester zal moeten zijn. Mefiboseth zelf wordt Davids bestendige gast (2 Sam. 9:13). Wanneer David overhaast voor Absalom vluchten moet, weet Siba den koning tegen Mefiboseth in te nemen door zijn heer ervan te beschuldigen, als zoude hij in Davids vlucht het bewijs hebben gezien van eigen naderend koningschap (2 Sam. 16:3). David staat hieraan zonder nader onderzoek geloof en geeft al de bezittingen van Mefiboseth aan diens trouweloozen rentmeester. Wanneer de koning echter na Absaloms ondergang terugkeert, blijkt uit Mefiboseths woorden zonneklaar hoe infaam Siba's aantijging was geweest en hoe ook David zelf in den door Siba gespannen strik is gevallen. Jammer, dat de koning toen niet hoog genoeg stond om Siba voorbeeldig te straffen en Mefiboseth recht te doen. Door Sauls goederen gelijkelijk tusschen Mefiboseth en Siba te verdeelen, meent hij de moeilijkheden, waarin hij geraakt was, op te lossen en heeft er geen oog voor, dat hij daarmede niets anders bereikt dan dat hij een derde fout op de eerste twee stapelt en aan het onverbiddelijk recht te kort doet. ( 3.

Megallthen. Onder de megalithen worden verstaan al die voorhistorische volkeren, die hebben nagelaten de prehistorische graven of cultusplaatsen, gedenkteekenen, die men dolmen, menhirs of kromlechs noemt en uit groote steenen zijn opgebouwd of saamgevoegd. De dolmen zijn graven, die skeletten bevatten en behooren tot het latere steentijdperk. Wegens hun tafelvorm hield men ze ook wel voor offertafels, Druïdenaltaren. Deze komen veelal voor in Noord- en West-Duitschland maar ook op Corsica, in NoordAfrika, ook in Azië, in Frankrijk, in Scandinavië, Polen enz. In hoever de volkstammen, die deze dolmen hebben opgericht, genetisch samenhangen, is moeilijk uit te maken. De menhirs (een Keltisch woord: moen = steen en hir = lang) bestaan uit een of meer groote stukken steen, steenzuilen, die als grafteekens worden beschouwd. Zij staan alleen of in rijen. Op het veld van Carnac in West-Frankrijk staan er zelfs 11000 op 11 rijen. Ook deze zijn wijd en zijd verspreid aangetroffen. Men herinnert daarbij ook aan Jozua 4.

De kromlechs (Keltisch: erom = gekromd en lech = steen) bestaan uit ringvormige steengroepeeringen van rechtopstaande onbehouwen steenen, die om dolmen en menhirs zijn aangebracht. Soms ook bestaan zij uit onderscheidene concentrische kringen. Ook deze zijn overal verspreid. Bij Avebury en Salisbury in Engeland worden deze kromlechs in buitengewone grootte aangetroffen.

De megalitische volken zijn dus over groote gebieden verspreid geweest. Van deze volken weet men overigens niet veel af. [ 6.

Megalosaurus of reuzenhagedis behoort tot de klasse der kruipende dieren (reptilia), tot de orde der schrik-hagedissen (dinosauria) en tot de familie der groot-hagedissen (megalosauridae). De hier genoemde orde heeft haar naam ontvangen van Richard Owen (1804—1892). De dinosauriërs leefden voor den zondvloed in de