is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MELAATSCHHEID

143

zich wijzigt. Bovendien komt lepra tegenwoordig 't meest voor daar, waar netheid en zindelijkheid zeer veel te wenschen overlaten; ook in vroeger eeuwen was de leefwijze minder hygiënisch en daardoor 't gevaar van besmetting met lepra veel grooter. Ook in ons land is het onlangs nog voorgekomen, dat iemand besmet werd door een familielid, dat melaatsen uit Indië was teruggekeerd.

Dat een enkele melaatsche een epidemie kan doen ontstaan, zien we op Honoloeloe, de hoofdplaats der Hawai-eilanden in den Stillen Oceaan; daar kwam in 1853 één melaatsche Chinees wonen, en in 1880 waren daar zeker al 2000 lepralijders. Men bouwde er een leproserie in 1866 en daarin zijn al meer dan 4000 lijders aan deze ziekte gestorven. Zoo kan de melaatschheid zich nu nog uitbreiden. Melaatschheid is dus wel besmettelijk, maar niet zoo infectieus als bv. roodvonk of influenza.

Men onderscheidt twee vormen van lepra:

1°. die, waarbij de bacil vooral knobbelvormige verdikkingen in de huid doet ontstaan, de zg. tubereuse vorm. Deze knobbels ontstaan vooreerst aan 't gelaat en zijn roodbruin van kleur; na eenigen tijd verbleeken ze en later ontstaan weer nieuwe. Zoo bestaat het voorhoofd van zulke lijders uit verschillende knobbels met diepe groeven er tusschen; de neus wordt daardoor verdikt en de ooren misvormd. De haren van de wenkbrauwen en van den baard vallen uit;

2°. de zg. anaesthetische (d.i. gevoellooze) vorm. Hierbij ontstaan eerst donkerbruine of roode vlekken op de huid, deze zijn eerst pijnlijk. Na eenigen tijd worden die vlekken wit, rimpelig en ongevoelig. Overal op 't lichaam kunnen deze vlekken ontstaan. De oorzaak hiervan moeten we zoeken in ontaarding der zenuwen door de lepra-bacillen; door deze zenuwontaarding ontstaat: ongevoeligheid, verlammingen en stoornis in de voeding van het lichaamsdeel, dat door de aangetaste zenuw verzorgd wordt. Deze voedingsstoornissen kunnen zoo ver gaan, dat uiteinden van het lichaam afsterven en er koudvuur ontstaat, of dat er diepe zweren ontstaan op het lichaam. Stukken van handen of voeten vallen af; daarom wordt deze vorm ook wel genoemd de mutileerende of verminkende vorm:

Lepra is een bij uitstek chronische ziekte; beide vormen kunnen jaren en jaren duren; de tweede vorm verloopt meestal nog sleepender dan de eerste. Dikwijls treden er ook tijden op, waarin een stilstand van het ziekteproces of zelfs een betrekkelijk herstel valt waar te nemen, maar geheel genezen doen de lijders nooit.

Door een goede verpleging en inspuitingen van bepaalde middelen gelukt het dikwijls eenige beterschap te doen intreden; middelen om de ziekte geheel te genezen kennen we helaas niet.

In het verder verloop der ziekte worden ook de organen van borst of buik aangetast en dan laat het einde niet lang op zich wachten.

In de Heilige Schrift is meermalen sprake van melaatschen en worden verschillende verschijnselen van melaatschheid genoemd.

Mozes moest, opdat de Israëlieten hem gelooven zouden, op bevel des Heeren zijn hand in zijn boezem steken: de eerste maal werd die hand

melaatsch, wit als sneeuw, de tweede maal werd die hand weder als zijn ander vleesch, dus genezen.

Mirjam werd met melaatschheid gestraft, omdat ze met Mozes twistte. Op voorbede van Mozes werd deze straf echter zoo verzacht, dat ze zeven dagen buiten het leger moest gesloten worden en daarna weer genezen en dus rein zou zijn.

Naaman de Syriër werd van zijn melaatschheid genezen door zich zeven maal in den Jordaan te dompelen; en deze melaatschheid ging over op Gehazi, den jongen van Eliza, wegens zijn hebzucht en bedriegerij.

Uzzia (Azarja), koning van Juda, werd met melaatschheid geslagen, omdat hij zelf wilde offeren; hij was plotseling melaatsch aan zijn voorhoofd en woonde tot den dag zijns doods in een afgezonderd huis.

En ten slotte lezen we nog, hoe vier melaatsche mannen vóór de poorten van Samaria ontdekten, dat Benhadad, de koning van Syrië, het beleg had opgebroken.

Over de melaatschheid vinden we verder allerlei voorschriften in de Mozaïsche wetten.

Jezus heeft ook vele melaatschen genezen, maar daarvan worden ons geen bijzonderheden vermeld.

Men heeft betwijfeld, of men mag aannemen, dat de verschillende personen, die we uit het Oude Testament genoemd hebben, werkelijk leden aan melaatschheid. Gaan we echter na, wat van hun ziekte vermeld wordt, dan blijkt, dat we eigenlijk aan geen andere ziekte kunnen denken.

In de eerste plaats is het een zeer sleepende ziekte, die alleen door een wonder Gods genezen kan, anders zou 't geen Mozes met zijn hand moest doen geen indruk gemaakt hebben, en zou de koning van Israël niet wanhopig geworden zijn, toen de koning van Syrië hem per brief vroeg Naaman te genezen.

In de tweede plaats worden als verschijnselen genoemd witte vlekken; en wordt de toekomst van de melaatsche Mirjam door Aaron aldus geschilderd: „Laat ze toch niet zijn als een doode, van wiens vleesch, als hij uit zijns moeders lijf uitgaat, de helft wel verteerd is". Deze verschijnselen vinden we bij geen enkele ziekte behalve bij den tweeden vorm van melaatschheid, zooals die straks beschreven is. Toen Naaman zich in den Jordaan gebaad had, „kwam zijn vleesch weder als het vleesch van een kleinen jongen". De Syrische krijgsoverste miste dus een deel van zijn vleesch, hij zal dus wel groote wonden of afgestorven plekken op zijn lichaam gehad hebben, 't geen bij lepra voorkomt.

Er bestaat dus voor ons geen reden om in al deze gevallen te denken aan een andere ziekte dan lepra.

Toch moeten we aannemen, dat bij de Joden het woord melaatschheid een ruimere beteekenis had dan bij ons, nu we alleen van melaatschheid spreken, wanneer bij den mensch ziekteverschijnselen ontstaan door den lepra-bacil.

In de Mozaïsche wetten toch is sprake van melaatschheid van den geheelen mensch, van melaatschheid van hoofd en baard en van melaatschheid van huizen,