is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MERCIER —

inrichting met sterker doorgevoerde arbeidsorganisatie en meer doeltreffende techniek, tot nieuwe ondernemingsvormen. Zoo verkreeg naast het staatsleven ook de volkshuishouding een geheel ander aanzien.

Het landsbestuur was er op uit om ter verkrijging van een goed gevulde schatkist, zooveel mogelijk goud en zilver in het land op te hoopen.

Begrijpelijk was dit in een tijd, toen de behoefte aan betaalmiddelen zoo ontzaglijk snel toenam. Ten onrechte is aan het mercantilisme vaak de gelijkstelling van geld en rijkdom ten laste gelegd, al moet de — overigens verklaarbare — overschatting van de beteekenis van een groot bezit aan edele metalen worden toegegeven.

Het andere middel tot versterking van de staatsfinantiën, de aanboring van nieuwe belastingbronnen, moest met beleid worden aangewend, wilde men de kip met de gouden eieren sparen.

Steeds meer verkreeg de gedachte ingang, dat de staat zelf rechtstreeks de versterking der volkshuishouding moest bevorderen en den rijkdom van het land moest vermeerderen, door zijn voortbrengingskrachten tot de grootst mogelijke ontplooiing te brengen, om zoo mede zijn inkomsten te doen toenemen en andere staten in voorspoed en macht te overtreffen.

Daartoe strekkende maatregelen waren: het brengen van eenheid in de volkshuishouding van het geheele land, de vergrooting van het bevolkingscijfer, vermeerderingder werkgelegenheid en bijzondere voorschriften voor de productie.

Vanzelf had ieder land in verband met zijn bijzonderen aard en ligging een eigen vorm van mercantilistische politiek.

In groote trekken zou men kunnen onderscheiden tusschen een mercantilisme van het binnenland, dat meer op de ontwikkeling van de eigen kracht der volkshuishouding doelde (Frankrijk, Oostenrijk, Brandenburg-Pruisen) en een mercantilisme van het kustland, dat voornamelijk op den zeehandel en de koloniën gericht was (Engeland, Holland, Italië).

In Frankrijk was onder de regeering van Lodewijk XIV vooral diens eerste minister Colbert de groote man van de mercantilistische politiek: werklieden werden naar Frankrijk gelokt, verschillende industrieën werden bevoorrecht, ook wel met geld gesteund, reglementen op de fabricage der stoffen werden van staatswege uitgevaardigd, de wettelijke organisatie der bedrijven werd verplichtend gesteld en om te beschermen tegen buitenlandsche concurrentie werden de rechten op den uitvoer van grondstoffen en op den invoer van bewerkte artikelen verhoogd.

We zien, dat in Frankrijk de staatsalmacht vooral werd aangewend om de binnenlandsche nijverheid den voorrang te verschaffen.

In Engeland waren het meer de scheepvaart, de visscherij, de landbouw en de veeteelt (met de wolindustrie), waarop de staatsinmenging zich richtte. Meerdere wetten verplichtten tot het gebruik van wollen stoffen, de verhouding van het getal leerlingen en gezellen in een bedrijf werd wettelijk geregeld etc. De Acte van Navigatie, in 1651 door Cromwell uitgevaardigd,

MERCKENS 171

was vooral tegen Holland gericht: Visscherij en scheepvaart in Engelsche kustwateren was aan vreemde vaartuigen verboden, transport tusschen Engeland en zijn koloniën mocht alleen door Engelsche schepen plaats vinden en uit Europëesche landen mochten in Engeland alleen door schepen van het land van oorsprong of door Engelsche schepen producten worden ingevoerd.

Willem III gaf een korenwet, die ten doel had ter wille van de welvaart van pachters en grondeigenaars den korenprijs op een constante hoogte te houden. Verbod van invoer gepaard met uitvoerpremiën wisselde af met vrije invoer in bond met opheffing der premiën.

Van de schrijvers, die de practijk van het mercantilisme theoretisch zochten te verdedigen en tot meerdere volkomenheid te brengen, noemen we de Franschen Mont Chrétien en Vauban, de Engelschen Stafford, Mun, Child, Steuart, de Italianen Serra en Genovesi, de Duitschers Becher en Hörnick, de Hollander Pieter de la Court. De laatste schreef: Interest van Holland ofte gronden van Hollands Welvaren, waarin hij op staatsbegunstiging uitsluitend van den handel aandrong.

In het middelpunt van de belangstelling der mercantilistische schrijvers staat de theorie van de handelsbalans, d. i. van de verhouding der totale waarde van de gedurende een bepaalden tijd in een land in- en uitgevoerde goederen. Met verwaarloozing van andere factoren werd een gunstige handelsbalans aanwezig geacht, wanneer de waarde van den uitvoer die van den invoer overtrof en zoo een overschot van geld in het land te boeken viel.

Het goede element in het Mercantilisme ié hierin gelegen, dat het rekening hield met den eigen aard van land en volk met zijn bijzondere belangen en behoeften.

Verkeerd was echter het streven, om aan den staat te trekken de leiding van het economisch leven, dat zich zoo niet naar eigen innerlijke levenswet kon ontplooien.

Tegenover de leer van het alvermogen van den staat is ook in de historie der economie de heilzame werking gebleken van het beginsel der souvereiniteit in eigen kring. [ 47.

Mercler. I. Desiré Mercier, hoogleeraar aan de universiteit te Leuven, 1906, kardinaal 1907, en aartsbisschop van Mechelen tot zijn dood in 1925. Schreef wijsgeerige werken, o.m. een Psychologie en eene Critériologie. Werd vooral bekend tijdens den wereldoorlog door zijn herderlijke brieven en aanspraken.

II. Helène Mercier, 1839—1910, Nederlandsch schrijfster, die zich vooral met sociale vraagstukken bezighield als volkshuisvesting en volksontwikkeling. Zij schreef o.m.: Over Arbeiderswoningen, Verbonden Schakels, Sociale Droomen en Daden, enz.

Merckens (H.) was één der allereerste leerlingen van den Klokkenberg te Nijmegen, en diende vele jaren te Vlissingen het onderwijs. Hij maakte bizonder werk van Bijbelstudie. In De Vrije School van Donderdag 8 April 1897 plaatste hij een artikel „Abraham de vader der geloovigen , waarin hij verklaarde, dat God tot