is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

230

MODERNISME

eind te hebben gemaakt, of ten minste den weg daartoe te hebben aangewezen. Ongetwijfeld heeft Scholten ons dan ook de geschiedenis der kerkleer beter leeren kennen en de beteekenis der Gereformeerde Belijdenis beter doen verstaan. In dit verband zij ook verwezen naar de treffende opmerking van Allard Pierson (Oudere Tijdgenooten, blz. 200): „Voor de kennis van het zeer weinig principiëel verband tusschen Reveil en Orthodoxie, blijft J. H. Scholten's voorrede van de eerste uitgaaf van zijn Leer der Hervormde Kerk (1847) het klassieke geschrift. Zonder die voorrede van Dr Scholten ware Dr Kuyper wellicht nooit geboren. Er moest, na die voorrede, iemand komen, die ernst maakte met hetgeen, waarvan juist die voorrede had aangetoond, dat het Reveil er op het willekeurigst mee te werk ging". Pierson doelde hier blijkbaar op deze woorden uit Scholten's voorrede (blz. 6): „Wij achten de historische studie der Gereformeerde dogmatiek van het uiterste belang — in het bijzonder voor jeugdige beoefenaars der Godgeleerdheid, die het, oude supranaturalisme en rationalisme moede, een hoogere opvatting des Christendoms verlangen, en die in dagen als de onze zoo licht gevaar loopen den schijn voor het wezen te huldigen en voor gereformeerd te houden wat in beginsel ongereformeerd is, of ten hoogste als een tijdelijke vorm behoort aangemerkt te worden, waarin zich het gereformeerd beginsel in den aanvang der Reformatie geopenbaard heeft." — Maar spoedig werd de illusie verstoord. In 1864 volgde bij Scholten zeiven de omkeer. In de voorrede van zijn werk Het Evangelie van Johannes, hetwelk in dat jaar verscheen, verklaart hij openlijk, dat hij vroeger meende in de goed uitgelegde Schrift nog zijn wereldbeschouwing te bezitten. Maar thans was dit niet het geval meer. De wereldbeschouwing van Johannes was de zijne niet. Hij komt nu tot de erkentenis, dat tusschen zijn gedachten en die der Schrift geen overeenstemming, maar een diepe klove bestaat. Van nu af aan wijdt hij zich aan het historisch-kritisch onderzoek van het Nieuwe Testament, en sluit zich bij de Tübingers aan.

Deze omkeer was bij Scholten zonder twijfel de consequentie van zijn eigen beginsel, maar ook gevolg van den invloed, door Kuenen en Opzoomer op hem en zijn leerlingen geoefend. Zijn Leidsche ambtgenoot Kuenen trad op als voorstander der evolutie op het gebied der OudTestamentische Schrift. Door zijn kritiek van het Oude Testament (Histortsch-krtttsch Onderzoek, 1861 v.v.) was hij tot de overtuiging gekomen, dat de Israëlietische godsdienst zeer goed zonder eenig supranaturalistisch element kan worden verklaard. En daardoor bood hij aan de moderne theologie een machtigen steun. En de Utrechtsche hoogleeraar Opzoomer kwam, na een korte Krauseaansche periode, onder den invloed der wijsbegeerte van Comte en Mill, en huldigde weldra het empirisme, dat voor wonderen geen plaats over liet. Tegenover Scholtens Idealisme leerde hij met nadruk de waarneming, de ervaring als de eenige bron van kennis. De empirische school die hij vormde, deed bij monde vaneen zijner' schitterendste leerlingen, Allard Pierson, haar intocht in de theologie. En met groot talent

en vurigen ijver werden nu de speculatieve theorieën bestreden totdat de beide schijnbaar onverzoenlijke elementen samensmolten. Het determinisme van de Leidsche school liet zijn idealistischen grondslag varen, en de empirische school werd determinist. Alles geschiedt omdat het geschieden moet, zoowel op het terrein der natuur als dat van den geest. Het springt in het oog, dat men op dit standpunt niet verder kan komen dan tot in den grond naturalistische zedelijkheid. De wetenschap is dan monistisch; zij verklaart alles uit één hoogst beginsel, en inductief gaat zij uit de verschijnselen voort tot den diepsten grond: God. Maar de werking van dien God is alleen uit de natuurwetten op te maken, aan wier gebied ook de historie, het gebied van het persoonlijke zedelijke ieven onderworpenis. Naar wettige consequentie is er dus in de moderne theologie voor zonde en berouw geen plaats. Het kwaad is er eenvoudig doorgangspunt van het goede. Ja eigenlijk is er bij wettige doorvoering van het empirisch beginsel in het geheel geen plaats voor theologie, en moet men tot een volslagen scepticisme komen, gelijk ook Pierson en zijn nog consequenter medestander Cd. Busken Huet alle geloof aan de kenbaarheid der geestelijke dingen afstierven. In deze beide Waalsche predikanten, mannen van schitterende talenten, vond het modernisme nochtans een tijdlang bezielde en bezielende tolken; de eerste trachtte het in zijn Richting en Leven, de ander in zijn Brieven over den Bijbel te populariseeren. Maar de „hartstocht der werkelijkheid", door Pierson als het bezielend beginsel geprezen, noopte weldra hemzelf, Busken Huet en vele anderen, om de kerk te verlaten, sommigen onder hen tevens om met het Christendom geheel te breken. Het „wij blijven" van Réville (prozaïsche vertaling van nous maintiendrons) klonk daartegenover meer als een nuchtere kennisgeving dan als een meesleepend getuigenis. Zij die „bleven" hadden iets van hun prestige verloren; zij waren niet meer zoo voorlijk, zoo op de hoogte van den tijd en van de wetenschap; zij begonnen iets te krijgen van een conservatieve middenpartij, ook van links, o.a. door Van Vloten, met hoon overladen. Maar beiderzijds voortgaande op den weg der negatie heeft men door toenemende ontkerstening van het Nederlandsche volk, binnen en buiten de kerk groote verwoestingen aangericht. Op kerkelijk gebied was de leus der modernen vrijheid. Gelijk de liberalen in het algemeen, zoo zagen ook zij voorbij, dat vrijheid wel voorwaarde voor het leven, maar niet het leven zelf is, en dat de strijd voor vrijheid alleen dan beteekenis heeft, wanneer een krachtig leven de knellende banden die het drukken niet meer dulden kan. Zulk een krachtig godsdienstig leven nu heeft deze richting niet gekweekt. En al is het hoogst onbillijk haar den Jan-Rapgeest veler harer volgelingen te verwijten, door haar eigen voorgangers het scherpst gehekeld, toch blijft het een betreurenswaardig feit, dat zoowel moderne predikanten als velen hunner geestverwanten in de gemeenten aan kerk en godsdienst den rug hebben toegekeerd. De ijverige voorgangers trachtten op verschillende wijze,