is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

252

MONOGRAM VAN CHRISTUS

van weduwen uitdrukkelijk (Rom. 7 : 3; 1 Cor. 7:8,9; 1 Tim. 5 :14). Op deze gronden werd het dan ook van de Hervorming af algemeen erkend.

Dit wil echter niet zeggen, dat volgende huwelijken tot vijf, zesmaal toe enz. aanbevelenswaardig zijn. Op de vraag of tegen zesde, zevende en meerdere huwelijken ook eenige orde gesteld kan worden, antwoordt Voetius, Pol. Ecel. II, p. 102, dat er voor mannen bijzondere redenen kunnen zijn, b.v. om een erfgenaam te krijgen, of tot verlichting van den ouderdom; maar dat het voor oude vrouwen, die wegens zwakheid en ouderdomsgebreken voor jongere mannen niet passen, niet onbedachtzaam zou zijn, indien zij hun lust intoomden, omdat dergelijke huwelijken zelden gelukkig zijn. Hieronymus, zegt hij, deelt een zeldzaam geval mee van de Insubriêrs, waar iemand zevenmaal getrouwd was. Maar hij voegt er nog een veel zeldzamer geval aan toe, van een vrouw in zijn tijd, een herbergierster in Sloterdijk, tusschen Amsterdam en Haarlem, die in 1615 met haar negentienden man getrouwd was. Het geval was in heel Holland bekend. Bovendien had hij ze in datzelfde jaar, toen hij met zijn vrienden door Sloterdijk reisde, met eigen oogen gezien. Naar zijn schatting was zij toen nog geen zestig jaar oud. Over het aantal mannen van haar, dat nog tot vierentwintig vermeerderde, herinnerde hij zich telkens gehoord te hebben; alsook over de nieuwsgierigheid van een menigte menschen, welke man eindelijk deze veelmannige vrouw ten grave zou brengen en de hoeveelste hij wel zou wezen, en welke bijzondere deelneming aan hem, die haar overleefde door de boeren aldaar werd bewezen.

Tegenover de Wederdoopers, Hu go de Groot en in later tijd de Mormonen, die de polygamie op grond van Gen. 16 : 3; 29:16 v.v.; 30:4,9; Deut. 21 : 15; 1 Sam. 1:2; Richt. 8:30; 1 Kon. 11 : 3, enz. verdedigden, handhaven wij de monogamie op de volgende gronden: le Dat God zelf oorspronkelijk het monogamisch huwelijk heeft ingesteld (Gen. 2 : 22—24), gelijk ook uit de woorden van Jezus blijkt (Matth. 19:4 v.v.); 2e dat de voorbeelden van bigamie zooals bij Lamech (Gen. 4 : 19), en van polygamie bij de aartsvaders (Gen. 16 : 3; 29 : 16 v.v.; 30 : 4, 9 enz.) tegen de oorspronkelijke instelling Gods ingaan en alleen vanwege de hardigheid hunner harten zijn toegelaten (Matth. 19 : 8). 3e. Dat in 1 Tim. 3 : 2 bijzonder voor den ambtsdrager de regel geldt: „eener vrouwe man", wat niet beteekent, dat hij getrouwd moet wezen; ook niet, dat hij na den dood zijner eerste vrouw geen tweede huwelijk mag hebben aangegaan, want dat is volgens 1 Cor. 7 : 39 geoorloofd, maar dat hij niet meer dan één vrouw tegelijk mag hebben. En 4e dat de monogamie krachtens de schepping van den mensch in het natuurrecht gegrond is en volgens de overleveringen van vele volken de oorspronkelijke van God gewilde huwelijksinzetting is.

Op de vraag, wat gedaan moet worden als een polygamist Christen wordt, is verschillend geantwoord. Sommigen zeiden: hij moet één vrouw houden en de andere wegzenden. Anderen zeiden: hij moet blijven samenleven met alle vrouwen, totdat de dood scheiding maakt, omdat

het wegzenden onrecht zou doen aan de weggezonden vrouwen. Het komt ons voor, dat nog een derde mogelijk is, n.1. dat hij één vrouw als vrouw houdt en de andere vrouwen, zonder ze weg te zenden en zonder met haar samen te leven, van levensonderhoud voorziet. (Zie P. R. E.3, V, artt. Ehe en Familie und Ene bel denHebrüern. Bd. Riehm, Bijbelsch Woordenboek, art. Huwelijk. B. J. Esser, Zending en Polygamie. [11.

Monogram van Christus. Hieronder verstaat men een figuur, dat samengesteld is uit de ineengestrengelde Grieksche beginletters van den Naam des Heeren, soms verbonden met een Grieksch kruis +. Ook zijn die aanvangsletters wel naast elkaar geplaatst.

De voornaamste zijn:

a. Is de de eerste letter (chi) van het woord XPI2T02 (Christus).

b. Bestaat uit de letter onder a genoemd, verbonden met I, welke de beginletter is van den naam IHSOYS (Jezus). Dit teeken komt voor in een opschrift in de Katakomben.

c. Is een dooreenstrengeling van de letters X en P (rho). Het was een geliefkoosd teeken, dat 't zij alleen, 't zij verbonden met een krans, met palmtakken of met de letters A en Q of a en co gebezigd werd en in het begin van de IVe eeuw in zwang kwam. De onder a, b en.c genoemde monogrammen komen voor in den tijd der vervolging vóór Constantijn.

d. Is het onder c genoemde teeken, verbonden met een dwarsbalk, die wijst op den naderenden kruisvorm.

e. Is het onder d genoemde teeken, zonder X. Dit teeken wordt voor 't eerst op een Romeinschen grafsteen van 't jaar 355 aangetroffen. Het komt o.a., verbonden met co en A voor op een te Maastricht gevonden grafsteen uit de Ve eeuw.

De onder c en e genoemde teekens hielden zich staande tot het begin der Ve eeuw, omtrent weiken tijd zij overgingen in en plaatsmaakten voor het Grieksche kruis +. Het monogram moet dan ook als voorlooper van het kruissymbool beschouwd worden.

Verder komen nog in aanmerking:

ƒ. I. H, zijnde de eerste letters van het onder b genoemde Grieksche woord voor Jezus en

g. I. H. S., waarvan verschillende verklaringen zijn gegeven. Zoo heeft men deze letters beschouwd als de beginletters van Jesus Hominum Salvator of van In Hoe Signo (vinces) bekend, uit de verschijning aan Constantijn, terwijl de volksetymologie ze zelfs in verband gebracht