is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MUMMIE

tiek. Multatuli's attractie heeft gelegen in zijn: „Ik zaai ongeloof'. Want, aldus pater Padberg, daarmee won hij allen, die het voor de rust van hun gemoed noodig hebben, alles wat over Qod en eeuwigheid wordt gezegd, als een dwaasheid te beschouwen. [ 45.

Mummie (van het Perzisch moemof mom = was, hars), een gebalsemd en gedroogd lijk bij de oude Egyptenaren. Overdrachtelijk: iemand, die er geelachtig dor, of mager en droog uitziet.

Munkacsy (Michaël), de meest beroemde Hongaarsche schilder uit de 19de eeuw. Geboren te Munkacs 20 Februari 1844, was hij eerst een gewoon meubelmakersleerling, maar al spoedig openbaarden zich zijn buitengewone talenten. Reeds in het jaar 1870 won hij den eersten prijs op de wereldtentoonstelling te Parijs, in welke stad hij zich in 1872 metterwoon vestigde, in zijn religieuze schilderijen bereikte zijn kunst het hoogtepunt. Zijn „Christus voor Pilatus", „Christus op Golgotha" en „Ecce Homo" zijn wereldberoemd. Munkacsy stierf den eersten Mei 1900 te Endenich. [ 43.

Munster of Munsterkerk. Dit woord is afgeleid van „monasterium" (klooster) en was oorspronkelijk de naam voor een kloosterkerk. In 't vervolg echter werd deze benaming gebruikt om daarmede een middeleeuwsche groote- of hoofdkerk aan te duiden, zoodat zij veeltijds in de plaats van het woord „domkerk" wordt gebezigd. Zoo worden de hoofdkerken te Roermond, te Aken, te Bern, te Bonn, te Freiburg, te Straatsburg, te Ulm met den naam van munster of munsterkerk aangeduid. [ 33.

Munster (Sebastian), 1489—1552, Franciscaner monnik, overgegaan tot Gereformeerde kerk, in 1552 leeraar in het Hebreeuwsch te Basel. Van zijn hand is de oudste bekende volledige vertaling van het Oude Testament, 1535. Sinds 1543 legde hij zich op de geschiedvorsching toe.

Munt, Matth. 23 : 23, Luc. 11 : 42, een welriekend kruid, waarmede de Joden hun woning bestrooiden. Niet alleen in het Oosten, ook bij ons komen vele soorten van de munt of mentha in 't wild voor. Als gekweekte plant is het meest bekend de mentha piperita, de echte pepermuntplant, uit welke bladeren de z.g. pepermuntolie bereid wordt. Hoofdbestanddeel van deze pepermuntolie is menthol, een bekend geneesmiddel.

Munt, metalen geld, dat van een stempel is voorzien, en een bepaald gewicht, gehalte en waarde heeft. In den modernen tijd heeft de Overheid de regeling van de munt (het muntrecht) geheel in eigen hand genomen. De hoofdlijnen van het Nederlandsche muntwezen vindt men in de art. 64, 178 en 179 der Grondwet. Deze zijn nader uitgewerkt in de wet van 28 Mei 1901, S. 132, de „Muntwet 1901". De rekeningseenheid van het Nederlandsche muntstelsel is, volgens deze wet, de gulden. Deze is verdeeld in 100 centen, 's Rijks munten zijn: A. met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel, I tot ieder bedrag, a in goud: het tienguldenstuk en het vijfguldenstuk; b in zilver: de rijksdaalder, de gulden en de halve gulden; II tot een beperkt

— MUNT 279

bedrag de volgende pasmunten: a in zilver: het 25-centstuk en het 10-centstuk; 6 in nikkel: de stuiver of het 5-centstuk; c in brons: de 2l/2 cent, de cent en de l/2 cent. B. Zonder de hoedanigheid van wettig betaalmiddel: de gouden dukaat. Niemand is verplicht zilveren pasmunt tot een hooger bedrag dan van f 10.—, nikkelen pasmunt tot een hooger bedrag dan van f 1.—, of bronzen pasmunt tot een hooger bedrag dan van f 0.25 aan te nemen. De wet bevat voorts bepalingen over de aanmunting, het gehalte, gewicht, de middellijn en de beeldenaar der munten enz.

Standaardmunt is de munt, die vrij mag worden aangemunt. In ons land zijn dit het gouden tienguldenstuk en sinds 1912 ook het gouden vijfguldenstuk. Onder bepaalde voorwaarden kan ieder bij 's Rijks Munt te Utrecht tegen een gering muntloon uit een door hem verstrekte hoeveelheid goud, gouden tientjes en gouden vijfjes laten slaan. De waarde, die de Overheid aan deze munten toekent, en de werkelijke waarde komen overeen. Naast de standaardmunt staat de pasmunt, noodig voor geringe betalingen. Deze mag niet vrij worden aangemunt. De werkelijke metaalwaarde is lager dan de nominale waarde.

Teekenmunt zijn de rijksdaalder,de gulden en de halve gulden. Deze mogen niet vrij worden aangemunt. De werkelijke metaalwaarde is ook hier lager dan de nominale waarde. Toch zijn zij in eigen land tot elk bedrag wettig betaalmiddel. Vroeger waren deze zilveren munten in Nederland standaardmunten. Toen het goud tot standaardmunt werd verheven, wilde men dit zilvergeld, dat voor millioenen in omloop was, niet intrekken en omsmelten, daar zulks met groote verliezen gepaard zou gaan, door den stand van de zilvermarkt. Men heeft daarom deze munten een plaats gegeven naast de standaardmunt en de pasmunt.

Indien in een land alleen het goud vrij kan worden aangemunt heeft men den gouden standaard. Is het zilver standaardmunt, dan bestaat de zilveren standaard. Deze vindt men thans in geen enkel land meer. Men spreekt van den enkelen standaard, het monometallisme, indien öf het goud óf het zilver standaardmunt is. Daartegenover staat de dubbele standaard, het bimetallisme, waarbij in hetzelfde land goud en zilver beide standaardmunt zijn en dus vrij kunnen worden aangemunt. De hinkende standaard bestaat in Nederland sinds 1874. Dit is de regeling waarbij het goud vrij mag worden aangemunt, terwijl ook het zilver binnenslands onbeperkt wettig betaalmiddel is. Het buitenland neemt uiteraard alleen betalingen in volwaardige gouden munt aan.

Nederland voerde in 1816 den dubbelen standaard in. Na vele moeilijkheden in verband met de waardeverhouding tusschen het goud en het zilver, die niet juist was vastgelegd, ging men in 1847 over tot den zilveren standaard. In navolging van het buitenland werd deze in 1875 door den gouden standaard vervangen.

Muntvervalsching en andere munt misdrijven zijn strafbaar gesteld bij de art. 208—212 en 313 van het Wetboek van Strafrecht. [ 52.