is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MYSTIEK

291

waarop men steunt. In deze lijn stelt men het Woord Gods achter het innerlijk getuigenis des Geestes; maakt men de ervaring los van de Schrift; dwepen velen met het „innerlijk licht", en is het tenslotte niet de openbaring Gods, die beslist, maar wat wij in onze harten bevinden. Hieruit vloeit ook voort de verkeerde opvatting van het geloof en van de zekerheid des geloofs. Met geloof laat men opgaan in vertrouwen, en van de verzekerdheid blijf weinig over, omdat men alles wil langs een bepaalden, langen weg van veel .gestalten" en veel „ervaringen". Ten derde lijdt het mystisme ook aan het euvel van individualisme. Voor de kerk als kerk des Heeren en gemeente van Christus gevoelt men weinig. Men wil liever een ecclesiola in ecclesia, een kerkje in de kerk. Men bemint de conventikels of gezelschappen. Men scheidt zich gemakkelijk van de kerk af, wanneer er conflicten komen. Voor ambtelijke bediening ontbreekt de noodige achting, en zoo is er in het mysticisme ook een schromelijke miskenning van het Verbond der genade en van de Tafel des Heeren. Dit alles heeft voor de opvoeding der kinderen de meest droeve gevolgen, en men ziet dan ook in deze kringen, dat tal van jongeren verwaarloosd worden en afdwalen. En eindelijk is ook het spiritualisme een kenmerk van het mysticisme. Men gaat uit van een dualisme tusschen natuur en genade; tusschen stof en geest, en het stoffelijke en natuurlijke wordt minderwaardig geacht. Men vervult wel zijn levenstaak en is voor het dagelijksch brood en voor de aardsche goederen niet koud, maar men beschouwt de aardsche taak niet als een goddelijke roeping, en van een Christelijken plicht in het publieke leven wil men feitelijk niet weten. Men is voor publieke Christelijke actie niet warm, en, al zijn sommigen overgegaan tot een politieke partij, het principe, dat hen drijft, is niet zoozeer het besef van de goddelijke roeping tegenover het staatkundig leven, maar alleen de noodzakelijkheid om tegen, wat zij als het booze zien, te getuigen. De lijdelijkheid gaat er nimmer uit. Dit mysticisme is niet naar de Heilige Schrift. Zij spreekt wel van de gemeenschap maar ook van den afstand tusschen God en Zijn kind. Zij handhaaft naast het subjectieve het objectieve, en bindt de werking des Geestes in ons aan Zijn Woord. Zij legt den nadruk op de vastigheid van het verbond der genade, en prent ons telkens de eenheid in tusschen het sociale en individueele, tusschen de gemeenschap en den enkeling, tusschen de kerk en haar leden, en zij doet ons ten leste ook het stoffelijke waardeeren als een schepsel Gods. Tegenover het mysticisme staat de zuivere, ware mystiek, die, omdat ze is gemeenschap met God, ons de dingen toont in hun juiste verhoudingen. [ 21.

Mystiek. Van alle woorden, in het hedendaagsche spraakgebruik opgenomen, is er misschien geen enkel, dat in zoo verschillende beteekenissen gebruikt wordt, als deze vaak gebezigde benaming. Het bestek van dit artikel laat niet toe er veel van te zeggen. Voor wie er dieper studie van wil maken verwijzen we naar de straks op te geven literatuur. Hoofdzaak schijnt ons echter vast te stellen, dat we met

[ „mystiek" op heidenschen bodem staan. We moeten hier onzen aanvang nemen bij het Neoplatonisme, bij Plotinus, wiens stelsel hierop neerkomt, dat wij menschen, in dit zinnelijk leven van ons beginsel vervreemd, onze zielen moeten reinigen van alle onlouterheid, om zoo buiten onszelven te staan, dus in extaze teverkeeren. Dan worden we in zaligen liefdedroom met de godheid vereen igd, de bron des levens en den wortel der ziel, en in deze aanschouwing Gods of contemplatie genieten we storelooze rust en volmaakte zaligheid. Dit stelsel werd door latere Neo-Platonici gepopulariseerd, en wel in die mate, dat straks ook de tooverkunst enz. in bescherming werden genomen. Beteekenis kreeg het Neo-Platonisme vooral doordat het keizer Julianus tot afval van het Christendom bewoog. Julianus trachtte nu tegenover de kerk van Christus één groote, heidensch-katholieke, anti-Christelijke kerk in het leven te roepen, met het Neo-Platonisme als dogmatischen grondslag. Al de Christelijke begrippen van verzoening, afwassching der zonde, wedergeboorte en verlossing, keeren hier, omgesmolten, terug. Zelfs een soort van heidensche Bijbel ontbreekt er niet aan. Aanstonds springt hier in 't oog de overeenkomst van deze oude mystiek met de nieuwe. Wordt de mystiek van Ibsen niet het best gekend uit zijn drama: Keizer en Galileër? Welnu, daarin is sprake van drie rijken. Het eerste is gegrond op den boom der kennis, het symbool der filosofie; het tweede op den kruisboom, het symbool der Christelijke kerk. Het derde en alleen ware rijk echter is het rijk van het groote mysterie op beide boomen gegrondvest. Dat rijk der mysteriosofie is het rijk van keizer Julianus. Voorts is het bekend, hoe men in het hedendaagsche Parijs weer allerlei oude mystieke eerediensten terug vindt, van Buddhisten enz. En evenmin als aan een kerk ontbreekt het aan een bijbel. Onze nieuwe mystieken preeken uit den Bijbel der Christenen, de Veda's der Indiërs, het Avesta der Perzen; Eckhart en Paulus, Plato en Jezus, Thomas a Kempis en Spinoza, Boehme en Goethe, Plotinus en madame Guyon: ziedaar een bonte mengeling van hun stichtelijke lectuur. Zeiven schrijven ze over extaze en contemplatie in zóó neoplatonischen geest, dat men de nieuwe mystieke literatuur kan raadplegen om de oude te leeren verstaan. Veilig zou men Maeterlinck den modernen Plotinus kunnen noemen. De parallel gaat ook daarin door, dat, gelijk de oude mystiek onder invloed stond van Philo den Jood, zoo ook de nieuwe geïnfluenceerd wordt door een Jood, n.1. Spinoza. En dat Joodsche bloed behoort stellig ook in rekening te worden gebracht bij den drang naar Goddelijke openbaring, die zich èn in de oude èn in de nieuwe mystiek vertoont, en ons mede recht geeft tot de stelling, dat zij gemoderniseerd Neo-Platonisme is. Beoordeelen we nu deze mystiek naar haar religie en naar haar moraal, dan geldt van haar religie dat de vermoeide mensch rust en vrede zoekt aan den boezem der Godheid. Maar hartstochtelijk onstuimig in zijn liefdesdrang, wil hij zóó onmiddellijke vereeniging met God, dat hij zich in Gods verborgen wezen en God zich in hem verliest. Dit