is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MYTHE

293

die de mythen bezitten als een geestelijk goed, beschouwen ze als voltrokken buiten en voor de historische periode, waarin zij leven en zij plaatsen ze in lang voorbijgegane tijden. Het aantal mythen is ontelbaar niet alleen, maar ook van oneindige verscheidenheid. Gewoonlijk worden zij in twee groote groepen ingedeeld. Men onderscheidt de eigenlijke mythen van legenden, fabels en vertellingen.

De eigenlijke mythen zijn dan zulke, die met de goden en den dienst der goden onmiddellijk verband houden. Zij zijn natuurmythen, dragen soms een kosmogonisch karakter, daar zij betrekking kunnen hebben op den oorsprong der dingen; een theogonisch karakter, daar zij op den oorsprong der goden licht doen vallen. Ook kunnen zij betrekking hebben op verdichte heldenfiguren, die als halfgoden verschijnen en als heroën optreden, Theoretisch kan men uit den aard der zaak wel een scheidingslijn trekken tusschen de mythe en de religie der volken, doch in de historie vormen zij meestal een weefsel, dat beide zoo vereenigd voorstelt, dat zij moeilijk zijn af te scheiden van elkander. En daar alle godsdiensten een beschouwing in zich dragen over het ontstaan der wereld, is deze kosmogonische karaktertrek niet vreemd. En ook is het begrijpelijk, dat de verschillende bovenzinnelijke wezens of heroïsche figuren voor het mythen-scheppend bewustzijn een groote beteekenis bleven behouden, zoolang de culturen, waarin zij tierden, stand hielden.

De mythen behooren tot die cultuurstadia, waarin de natuur in haar geschieden gepersonifieerd werd. Het natuurgeschieden zelf werd een levend wezen en men zocht naar de oplossing van het raadsel, welke persoon of welke gebeurtenis het te voorschijn had geroepen. En de verhalen, die dit vermeldden, werden van geslacht op geslacht overgedragen, niet slechts tot vermaak, maar ook tot leering. Zoo kwamen er telkens nieuwe draden in het oude weefsel en werden op oude beelden nieuwe kleuren aangebracht, zoodat het geheel een bont en veelkleurig karakter vertoont, waarin telkens de oude grondtoon weder doorschemert. Zoo doorliep de stof der mythen dikwijls allerlei phasen, waarin de groote verschijnselen aan den hemel als werkelijke godheden worden geteekend, totdat de tijd aanbrak, waarop de mythen werden opgeschreven. Dan werden de groote mythische persoonlijkheden, losgemaakt van de natuur, tot persoonlijke goden. Doch in de gedaantewisseling, die de mythe doorloopt, blijft steeds als een erfdeel bewaard, hetgeen de mythe oorspronkelijk was en had. Steeds is er in op te merken die mengeling van het groote en het kleine, dat wat betrekking heeft op het universum naast hetgeen b.v. behoort tot de eigenaardige vormen van planten en dieren. De mythe blijft steeds een spiegelbeeld van het primitieve gemeenschapsleven, waarin stammen als goden worstelen en list en bedrog, maar ook dapperheid en deugd ten toon spreiden. Zij rooven elkanders vrouwen en bezittingen en doen allerlei, dat bij de natuurvolken gewoonte is. Zoo verkrijgen de mythen dat grillige beeld, waarin dooden en levenden, goden, menschen en dieren, sterren en planten,

[ rivieren en bronnen, zon en maan, regen en droogte, de storm en de zachte koelte, door elkander wemelen in een wereld, waarin niets onmogelijk is.

De mythe zet natuurverschijnselen en cultuureele toestanden om in een tijdelijk gebeuren, dat op menschelijke personificaties wordt afgeleid.

De eigenlijke mythen hangen dus met de religie saam. Elk volk heeft een rijker of minder rijken schat van zulke mythen, die de mythologie van zulk een volk uitmaken en een wezenlijk bestanddeel in zijn religieuse wereldbeschouwing vormt. Legenden, vertellingen en fabelen hebben een geheel ander karakter dan de mythe. Zij handelen niet over den oorsprong van goden en schepselen, voeren geen goden, godinnen of heroën ten tooneele, maar borduren hun voorstellingen op veei bescheidener stramien. Zij handelen over feeën en kabouters, over toovenaars en over goede en booze geniën, over duizenden goede en vreeselijke wezens, waarmede de verbeelding velden en wouden, bergen en dalen, zeeën en rivieren en bronnen heeft gestoffeerd. Meestal zijn deze legenden en vertellingen niet godsdienstig van aard. Zij bewegen zich in een meer neutrale zóne, zoodat zij, hoezeer ook bij het volk in omloop en zorgvuldig door de traditie bewaard, toch naast het godsdienstig leven voortbestaan. Zij wortelen in een ver verleden, leven voort van geslacht op geslacht, ondergaan ook in den loop der tijden veranderingen, doch blijven altijd frisch en bekoorlijk. De studie van deze legenden en vertellingen behoort tot de folklore en heeft tegenwoordig in bijzondere mate de aandacht. - **>

Onder fabels verstaat men gewoonlijk verhalen over gepersonifieerde dieren, begaafd met menschelijke eigenschappen, die dus ook als menschen handelen. Dat ook deze met de totemistische cultuur van prehistorische tijden in verband worden gebracht en ook met mythische voorstellingen verwantschap toonen, is niet onaannemelijk. De grenzen tusschen de legenden, vertellingen en fabels zijn niet altijd scherp te trekken, ook al blijft dealgemeeneonderscheiding, die de mythen als legenden over de bovennatuurlijke wereld karakteriseert, haar goed recht behouden. (Zie A. v. Gennep, La formation des légendes, 1. I. ch. II. J. Toutain, 'Etudes de mythologie et d'hlstoire, en de geschriften van H. D. Müller, Wilamowitz e.a.).

De oorsprong der mythen is verschillend verklaard. Vroeger zag men in de mythen de onkenbaar geworden overblijfselen eener oorspronkelijke openbaring, die in de Heilige Schrift in haar zuiverheid bewaard was. In de 18e eeuw werden zij als maakwerk beschouwd, dat ten doel had religieuse dogmata te dragen. Een veel besproken verklaring is die van het euhemerisme, dat de mythen waardeerde als wonderverhalen van historische gebeurtenissen. (Zie daarover het artikel over Mythologie). Deze theorie werd door vele Ouden aanvaard, b.v. door Lactantius, Augustinus e.a. Onder de lateren, die een historischen achtergrond in vele mythen aannemen, was b.v. H. Spencer, die in de mythen avonturen meende te onderkennen van werkelijke personen, die tot goden verheven zijn. Hij steunt