is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

294

MYTHOLOGIE

deze verklaring door te wijzen op het ontstaan van grillige verhalen bij de hedendaagsche natuurvolken. Bovendien is er de verklaring van het symbolisme, dat zijn oorsprong heeft in de neo-platonische wijsbegeerte. Zooals hier al het creatuurlijke symbool is van het intelligibele, zoo worden ook de mythen tot symbolen, die de strekking hebben metafysische en zedelijke ideeën te vertolken. De ware zin zou te loor zijn gegaan, terwijl de vormen overbleven als vertolkers der idee. Dat de mythen echter zoo kunstmatig zijn ontstaan, is weinig aannemelijk. Een geheel ander karakter verkreeg het probleem van den oorsprong der mythen in verband met de opkomst der vergelijkende taalwetenschap. Daarvoor was Max Müller's werk van groote beteekenis (Contributions to the sclence of mythology, Londen, 1897). Hij gaat uit van het standpunt, dat het probleem psychologisch van aard is. Het onredelijk karakter van de mythe beschouwt hij als een aanwijzing, dat de mythe een verborgen beteekenis heeft. Hij wil wel erkennen, dat er aan het begin der menschelijke geschiedenis een periode was van kindschheid, maar niet van dementia. Er is een zedelijke zin in de mythe, dien ook de oude filosofen aannamen, al verschillenden zij over dien zin. De oude menschheid had voor vele begrippen, die wij noemen kunnen, geen woorden, zoodat zij slechts sprak van „agents and workers" dus als van goden. Volgens Max Müller's verklaring zijn de godennamen slechts oude naamwoorden, wier primordiaal karakter op den achtergrond trad. Hij gaf dus een filologische verklaring der mythen. Behalve deze is er ook nog de ritueele verklaring, die de mythe verwant acht met bepaalde ritueele gebruiken. Andrew Lang hield de mythen voor spontane scheppingen van den menscheltjken geest in een tijd, toen deze natuurlijk en redelijk vond wat wij nu onredelijk achten. De groote opbloei der Assyriologie heeft er mannen als Hugo Winckler en Jeremias toe geleid met de beschaving alle mythen en legenden af te leiden van een Assyrisch-Babylonischen haard, weer anderen, die andere oude culturen vooral bestudeerden, wezen op andere oude haarden terug. Daarbij sloot zich de astrale verklaring der mythen aan, die in Duitschland is opgekomen en er naar streefde door beperking van het mythe-begrip een soort systeem te scheppen, waarin alle astrale mythen een centrum van oorsprong zouden hebben, daar zon, maan en andere sterrenbeelden steeds met heilige cijfers worden verbonden. Zulke theoriën blijken echter te zeer afhankelijk van voorop gezette veronderstellingen. Zij doen de waarheid ongetwijfeld wel eens geweld aan.

Wel kan worden aangenomen 1° dat mythenvorming niet in elk stadium der geestesontwikkeling plaats hebben kan. In onzen tijd van exact weten is er b.v. minder ruimte voor mythenformatie dan in tijden, Waarin de fantasie een overheerschende functie heeft. Naarmate de causale samenhang meer in het oog wordt gevat, zooals in ons Westersch bewustzijn, treedt de poëtische kracht van den geest meer op den achtergrond. 2° De mythe is een gewrocht der menschelijke psyche, die nog niet onder de

tucht van het exact denkende ik van de volcultuur staat. 3° De psychologie van lagerstaande culturen leidt tot personificatie der in de verschijnselen veronderstelde krachten, terwijl de religieuse, ethische en aesthetische gevoelens tot een bijzondere waardeering dier gepersonifieerde krachten voeren. 4°. De religieuse trekken der mythen wortelen in eene religieuse verhouding, waarin het mythen-scheppende subject zich tegenover de natuurmachten kent; terwijl de ethische waardeering saamhangt met zijn sociaal milieu, zooals zijn aesthetische gevoelens in de uitbeelding der figuren een rol speelt. 5° Het irrationeele en grillige karakter, datde mythen kenmerkt, wordt bovendien ook in de wereld van den natuurmensch aangetroffen, waarin het magische, sluwe en listige gedekt wordt door de wonderdaden der medicijn-mannen, shamanen en priesters, wier werken ook irrationeel zijn naar onzen maatstaf. 6° Het verband tusschen ritus en mythe, dat hier en daar in het oog valt, zoodat de ritus het, karakter verkrijgt eener uitgebeelde, voorgedragen mythe, toont duidelijk de behoefte om verband te leggen tusschen wat hier geschiedt en een hoogere orde van zijn, waaraan hetgeen de mensch doet de sanctie ontleent. 7° Uit alles blijkt, dat de mythen de menschelijke psyche in hare volheid als een bakermat heeft en dat de mythen voertuigen zijn, niet slechts van het primitieve denken, dat streeft naar verklaring der verschijnselen, maar dat zij ook scheppingen zijn van het religieus gemoed, dat de aesthetische gevoelens aanwendt om uitdrukking te geven aan die eigenaardige beschouwing en waardeering van de wereld der verschijnselen, welke de menschheid kenmerkt, die zich ontwikkelde buiten het licht der bijzondere openbaring. De bijzondere openbaring onderscheidt zich juist daardoor, dat zij voor mythen geen plaats heeft. Daarom vermaant de apostel de eerste Christengemeente tot verwerping' der ongoddelijke en oudwijfsche fabelen en tot oefening der godzaligheid. [ 6.

Mythologie. Het woord „mythologie" heeft tweeërlei zin. Het kan beteekenen het geheel der bij een bepaald volk in omloop zijnde mythen en ook de leer, de wetenschap, die de mythen, de overgeleverde verhalen aangaande de goden in hunne onderlinge verhouding of in hunne verhouding tot de wereld der verschijnselen en der menschen, tot object van onderzoek heeft. De laatste, de wetenschap der mythen heeft een reeks van wisselingen in den ioop der eeuwen ondergaan. De massa dereenvoudigen hield in de oudheid de mythen voor eene beschrijving van gebeurtenissen, hoewel reeds zeer vroeg de meer onwikkelden het overgeleverde wel vasthielden, maar rationalistisch trachtten uit te leggen en te verklaren. De allegorie was het hulpmiddel, waarvan men zich gaarne bediende. Zoo deden de wijsgeeren b.v. de Stoïsche en anderen als b.v. AmmoniusSakkas, Plotinus, Ammelius, Porphyrius en Jamblichus, die het neo-platonisme populariseerden en de wijsbegeerte uit de school in den tempel brachten. Zij leverden wijsgeerige tractaten, die de heilige producten der oudheid uitlegden. De theurgie, d.i. de kunst om door magie op de goden in-