is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEDERLANDSCH JONGELINGSVERBOND

325

Mede hieruit, op buitenlandsch voorbeeld, maar toch uit aandrift van de behoeften van het eigen hart, zijn geboren de eerste Christelijke Jongelingsvereenigingen in ons land en het Nederlandsch Jongelingsverbond (vgl. bijv. het Gedenkboek 1903, J. L. Zegers, Het Réveil en de Christelijke Jongelingsvereeniging, 1919, enz.).

Onder den Koopmansstand werd opgericht, 1 October 1851, te Amsterdam, de Vereeniging

tut uevuruering van evangelisatie, die nog wel niet aanstonds den naam van Christelijke Jongelingsvereeniging droeg, maar het toch metterdaad was (vgl. het Gedenkboek Excelsior 1851 — 1901), later geheeten: Jongelingsvereeniging ter bevordering van Christelijk leven; vader was: W. van Oosterwijk Bruyn, met wié anderen samenwerkten.

16 Juli 1852 volgde, evenzeer te Amsterdam, de oprichting van de Christelijke Jongelingsvereeniging onder den Handwerksstand; eteman was hier J. B. (van de) Puttelaar (vgl. Een gouden feest, 1852—1902).

In 1853 zoekt men samenwerking; een reglement wordt ontworpen; een grondslag gekozen ; een zinspreuk aanvaard, n.1. die van Rom. 1:16; 23 October 1853 wordt een voorloopig bestuur gevormd, den 5en Juni 1854 komt te Amsterdam de eerste Algemeene Vergadering bijeen, waar vertegenwoordigd zijn de Vereenigingen van Amsterdam, Haarlem, Alfen, Nieuwer-Amstel, Zwolle, Rotterdam en Harderwijk.

Het Nederlandsch Jongelingsverbond wis er

uus nu en siooi zien m isoo aan bij den Wereldbond (zie het artikel).

Augustus 1857 verscheen het eerste nummer van het Bondsorgaan, onder den naam van: De Jongelingsbode, onder hoofdredactie van Van Oosterwijk Bruyn. Dit blad heeft in den loop der jaren er zeer krachtig toe meegewerkt om het Vereenigingsleven op te wekken en den bloei van het Verbond te bevorderen.

Aan deze zelfde taak gaven zich met ijverde Bondsagenten, propagandisten allerwege voor de goede zaak. Het denkbeeld om te komen tot Bondsringen werd in 1867 aanvaard; de eerste ring werd echter eerst in 1871 gevormd. Na 1888 kwam het ringleven tot bloei. Het doel wordt aldus omschreven (Gedenkboek, bis. 15): «broederlijke gemeenschap aan te kweeken, de geestelijke en verstandelijke ontwikkeling'te bevorderen, de werkzaamheden der afdeelingen te ontwikkelen, nieuwe vereenigingen op te richten en zoo den Bondsarbeid uit te breiden". Sinds 1874 verschijnt een Jaarboekje; sedert 1887 draagt het den naam van Christophilus. In 1863 wordt het Verbond een Bondslied rijk, «ft het Duitsch vertaald door J. J. L. ten Kate. In 1875 voert men het Bondsinsigne in.

De eerste periode is het tijdvak 1852—1890.

In dezen tijd gaat het om de religieuze belangen. Om het behoud van de eigen ziel en den vrede bij God. Jaarverslagen uit dien tijd melden niet zelden: een of twee vrienden hebben het uitgesproken, dat zij Jezus gevonden hebben als den Verlosser van hun zondeschuld. Klachten worden geuit dat in een bepaald jaar zulk een stem niet was beluisterd. Men schaart zich om den Bijbel en zoekt de kracht des

Evangelies. Het devies dat 't Verbond zich koos spreekt te dezen aanzien boekdeelen. Evenzeer gaat 't in dezen tijd om anderen ten zegen te zijn. „Redden, dat was de leus!" (Gedenkboekje 1913, blz. 7). Evangeliseeren, dat was het machtig doel. Toen „een bevriende stem" het eens ontried, voer „een huivering" door het Verbond. Want: „dat was het aantasten van den wortel, de doodsteek in de aderen, dat was verloochenen van onze geestelijke afkomst" (rede Bondsvoorzitter Gerretson, 1903; Gedenkboek, bl. 102). De activiteit der leden vond overigens op dit gebied in de vereenigingen als zoodanig onvoldoende speelruimte; vandaar dat men hen, naast en buiten 't vereenigingsleven, aantreft als onderwijzers in Zondagsscholen, leiders van Zendingssamenkomsten, Kinderzendingsvereenigingen, en dergelijke.

In deze periode zijn er pogingen in 't werk gesteld om den arbeid der vereenigingen een meer gereformeerd karakter te geven. Zij mislukten evenwel. In 1888 stichtte Ds Vonken berg, den algemeen-Christelijken grondslag onbevredigend achtend, den Nederlandschen Bond van Jongelingsvereenigingen op Gereformeerden grondslag (zie het art.). Het Jongelingsverbond, door de uitspraken zijner leidende personen, nam tegen het aanvaarden van dien engeren grondslag positie. Zoo zegt bijv. Van Oosterwijk

Bruyn, in zijn Het gouden jubilee 1894, bl.

40: „Voor de terreinen buiten de kerk gelegen is mij de keuze niet moeilijk tusschen Christelijke of Gereformeerde beginselen. De zaak schijnt mij doodeenvoudig. Als Gereformeerd volmaakt

hetzelfde beteekent als Christelijk in den waren zin, verkies ik het woord Christelijk omdat het aan Christus alleen alle eere toekent en van Hem alleen alles verwacht. Als echter Gereformeerde beginselen iets anders beduidt dan Christelijke, dan moet dat noodzakelijk niet-Christelijk zijn en dus verwerpelijk".

De tweede periode (1891—1903) is die van uiterlijken bloei, van veel strijd naar buiten, van veel pogingen om er velen te winnen, van rijker ontwikkeling, van doelmatiger organisatie. De Jongelingsbode werd beter verzorgd; de afdeelingen voor letterkunde, zang, muziek en gymnastiek en voor knapen en kinderen, namen toe; correspondenten en ring-agenten werden benoemd, vereenigingen in grooter getale opgericht; twee Bondsafdeelingen stelden een Algemeen Secretaris aan.

Bij het jubilé, na vijftig jaar, kon de Bondsvoorzitter constateeren dat de zeven vereenigingen tot over de driehonderd waren uitgegroeid, met'bijna 8000 leden; daarnaast stonden honderde leden van knapen vereenigingen en duizende kinderen der Zondagsscholen. De Bondsuitgaven vormden reeds een lange reeks.

Deze periode werd bijna geheel doorleefd onder het voorzitterschap van den heer A. J. Hoogenbirk.

Daarna volgt het derde tiidvak. Tusschen het

presidium-Van Noort en het presidium-Veen is in dezen tijd nauwelijks verschil. Maar wel kenmerkte zich deze derde periode door enkele karakteristieke momenten. Vooreerst was daar de gewijzigde manier van