is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

338 NEHALENNIA

met (of bij) snarenspel, waarbij dan al van Ps. 61 : 1 vervangen zal moeten worden door b en in Hab. 3 : 19 het bezittelijk voornaamwoord zal moeten worden geschrapt. [ 3.

Nebalennia, Keltische of Germaansche godheid, wier beeld op Walcheren gevonden is in 1647 op een 26-tal votief-steenen (d. w. z. steenen, gewijd aan de een of andere godheid). Haar attributen zijn: schip, hond, korf met vruchten, symbolen van haar zorg voor handel en landbouw. [ 46.

Nebemia, zoon van Hachalja, behoorde tot de Joodsche families die, bij den door Kores of Cyrus toegestanen terugkeer uit de Babylonische ballingschap, in het Perzische rijk waren achtergebleven. Hij leefde tijdens den Perzischen koning Arthahsasta, d.i. Artaxerxes I Longimanus (465— 424 voor Chr.), aan wiens hof hij de betrekking van schenker vervulde (Neh. 2:1). In het twintigste regeeringsjaar van dezen koning (d.i. het jaar 445 voor Chr.) verkreeg hij naar aanleiding van door hem ontvangen berichten omtrent den desolaten toestand, waarin Jeruzalem en de naar Juda teruggekeerde ballingen verkeerden, welke berichten op hem een buitengewoon pijnlijken indruk hadden gemaakt, verlof om daarin verbetering te brengen. Daartoe werd hem de waardigheid van landvoogd (pêchah of thtrsatha) verleend, zoodat hij over de noodige macht beschikte om zijn voornemen te volvoeren. Dit heeft hij dan ook, ondanks den heftigen tegenstand van de omwonende volken (Samaritanen, Ammonieten, Arabieren en Filistijnen) gedaan, zoodat Jeruzalem weer van een vestingmuur voorzien werd en niet langer voor iederen willekeurigen vijandelijken aanval open en bloot lag. Bovendien is hij krachtig opgetreden tegen verschillende misbruiken welke onder de ballingen zelf waren ingeslopen, en heeft hij Ezra gesteund in zijn pogen om hen weer bekend te maken met de wet van Mozes en hun den zin daarvan te doen verstaan. Na twaalf jaren het ambt van landvoogd of stadhouder te hebben bekleed keerde Nehemia naar het Perzische hof terug (Neh. 13:6). Eenigen tijd later — hoe lang weten wij niet — bracht hii nog een tweede bezoek aan Jeruzalem, waarbij hij opnieuw een aantal maatregelen tegen ingeslopen misbruiken nemen moest. Maar daarmede eindigen ook de berichten die wij omtrent hem hebben: hoe lang zijn tweede verblijf in Juda geduurd heeft, en hoe het verder met hem gegaan is, daaromtrent wordt ons niets vermeld.

Het Bijbelboek Nehemia vormde oorspronkelijk één geheel met het daaraan voorafgaande boek Ezra, waarvan we nog een spoor vinden in artikel 4 van onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis, als daar het boek Ezra wordt aangeduid als „het eerste van Ezra"; dit geschiedt, wijl het boek Nehemia als „het tweede van Ezra" werd geteld. Hoewel het voor een groot deel eigenhandige gedenkschriften van Nehemia bevat (Neh. 1 : 1—7 : 5; 12 : 31—43; 13 geheel), is het toch zeker niet in zijn geheel voor een voortbrengsel van zijn hand te houden. Als auteur van de beide boeken gezamenlijk wordt door de Joodsche overlevering Ezra genoemd; maar het is niet waarschijnlijk dat deze overlevering juist

— NEHUSTAN

is, gelijk uit de gegevens voor den ontstaanstijd, die hieronder besproken zullen worden, nader blijken zal. Wel bevat ook het boek Nehemia een gedeelte, waarin meer over het werk van Ezra dan over dat van Nehemia gehandeld wordt (Neh. 8—10), en dat vermoedelijk ook op gedenkschriften van Ezra teruggaat; het gebruik van den eersten persoon meervoud in Neh. 10:30 v.v. zal wel eerder op Ezra dan op Nehemia wijzen.

Voor den ontstaanstijd van het dubbel-boek Ezra-Nehemia vinden wij dan de volgende gegevens: in Neh. 12 : 10, 11 wordt de geslachtslinie der hoogepriesters voortgezet tot op Jaddua, die volgens Flavius Josefus nog een tijdgenoot is geweest van Alexander den Groote (336—323 voor Chr.), en in Neh. 12 : 22 wordt melding gemaakt van een beschrijving der Levieten en priesters, welke plaats had onder de verschillende hoogepriesters van Eljasib af (een tijdgenoot van Nehemia) tot en met den reeds genoemden Jaddua „tot de regeering van Darius den Pers"; welke laatste dan zijn moet Darius III Codomannus (336—330 voor Chr.). Deze beide gegevens leiden tot het overeenstemmend resultaat, dat de eindvorm, waarin wij thans de boeken Ezra-Nehemia bezitten, van geen vroeger tijdstip kan dagteekenen 'dan het jaar 336 voor Chr. Nu is het zeer wel mogelijk dat alleen het gedeelte van Neh. 12, waarin dezeaanwijzingen voorkomen, uit zóó laten tijd dagteekent, en dat dit aan een reeds bestaand geschrift van heel wat ouderen datum is toegevoegd; maar, als we in aanmerking nemen dat de eigenhandige stukken van Nehemia, die we vinden in Neh. 12:31—43 en in Neh. 13, daar nog op volgen, is de waarschijnlijkheid groot dat het geheele dubbel-boek, op grond van de eigenhandige gedenkschriften van Ezra en Nehemia, en met gebruikmaking van een aantal andere authentieke stukken, even na 336 is vervaardigd geworden. Dit vermoeden vindt grooten steun in het feit, dat de boeken der Kronieken, die naar alle waarschijnlijkheid eveneens met de boeken Ezra-Nehemia één samenhangend geheel vormen, tot dezelfde dateering leiden. Een nog lateren ontstaanstijd aan te nemen, gelijk sommigen willen, is niet gerechtvaardigd.

Behalve den stadhouder Nehemia vinden we nog twee andere personen van dien naam vermeld: in Ezra 2 : 2 en Neh. 3 : 16. [ 10.

Nebllotb of Nechiloth, Ps. 5:1. De beteekenis van dit woord is onzeker. Bedoeld is waarschijnlijk het begeleidende instrument, zoodat dan vertaald zou kunnen worden: bij de fluiten, of, met fluiten.

Nebustan, juister Nechusjtan, is volgens 2 Kon. 18 : 4 de naam van de door Mozes gemaakte koperen slang (Num. 21 : 4 v.v.), die sindsdien — met of zonder onderbreking, dat weten we niet — door het volk vereerd is geworden als een soort talisman, waaraan als bezitter van goddelijk vermogen ook goddelijke eer werd gebracht, totdat Hiskia haar vernielde. De naam wordt gewoonlijk afgeleid van nëchósjet „koper", in welk geval hij beteekent „de koperen". Hij kan echter zeer wel in verband staan met nachasj „slang". [ 3.