is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

440

OOSTERSCHE VRAAGSTUK - OOSTERWIJK BRUYN

heeft tot uitbreiding gedrongen. Allereerst de herwinning der Oud-Oostersche wereld, waardoor het Soemerisch, het Babylonisch-Assyrisch, het Egyptisch en het Hetitisch weer binnen onzen gezichtskring zijn gekomen. En voorts de wetenschappelijke bestudeering van het.z.g. verre Oosten, waardoor alle talen der OostAziatische volkeren tot voorwerp van onderzoek zijn gemaakt.

Deze uitbreiding heeft intusschen weer tot splitsing gedrongen. Zoo onderscheidt men nu: de doode en de levende Oostersche talen. Tot deze laatste behooren dan allereerst die van het z.g. nabijë Oosten: Turksch, Arabisch en Perzisch. Voorts de talrijke Indo-Arische talen van Voor-Indie, waaronder vooral het Hindi een belangrijke plaats inneemt, wijl gesproken door 66 millioen personen. Eindelijk die van het verre Oosten, de talen van China en Japan naast Maleisch en Javaansch om slechts de voornaamste te noemen.

Daar nu intusschen de doode Oostersche talen gewoonlijk worden samengevat onder den naam van Semietische talen (zie aldaar), verdient het aanbeveling onder de Oostersche talen uitsluitend die talen samen te vatten, die nog heden ten dage in eenig deel van Azië worden gesproken. [ 3.

Oostersche vraagstuk. Onder dezen naam vat men samen de vragen van internationale politiek, die verband houden met de heerschappij der Turken op den Balkan. De kwestie van het nabije Oosten dateert reeds uit het jaar 1453, toen de Turken Constantinopel veroverden en hun rijk in Europa vestigden. In voorspoedige oorlogen onderwierpen zij het geheele Balkanschiereiland aan de Mohammedaansche heerschappij en daarna trokken zij tegen het Noorden op. In het begin der 16e eeuw vormden de Donau en de Save de grens van het Turksche gebied, dat later nog werd uitgebreid. In. 1526 riep Frans I van Frankrijk de Turken te hulp In den strijd tegen de Habsburgers. Turksche legers vielen Hongarije binnen, veroverden Boeda-Pest en sloegen het beleg voor Weenen (1529). Karei V drong de Turken terug. Zij bleven echter nog vele jaren een gevaar voor de heerschappij der Habsburgers. ln 1683 verschenen de Turken nogmaals voor de stad Weenen, doch na korten tijd werden zij door de verbonden legers van Oostenrijk en Polen verdreven. Sindsdien taande hun macht. Bij den vrede van Karlowitz (1699) werden de grenzen van Turkije ingekort. Slecht binnenlandsch bestuur bevorderde het verval. Oostenrijk en Rusland konden hun gebied ten koste van Turkije uitbreiden. In 1787 verijdelde Engeland echter een poging van deze beide landen om Turkije onder elkander te verdeelen. Engeland wilde den weg naar Indie vrij houden en duldde geen Russische heerschappij In Constantinopel. Van dien tijd af begonnen de Europeesche groote mogendheden zich met de Oostersche kwestie in te laten. De vraag of men het Turksche rijk in Europa al dan niet zou handhaven veroorzaakte vele verwikkelingen. Daarbij kwamen nog andere moeilijkheden. In voortdurenden strijd maakten de Christenvolken, die aan de Turksche heerschappij onderworpen waren, zich van het Mohamme¬

daansche juk vrij (Griekenland, Bulgarije, Servië enz.). Oostenrijk en Rusland streefden naar gebiedsuitbreiding. Frankrijk en Engeland ijverden voor hun handelsbelangen. De Grieksche vrijheidsoorlog eindigde in 1830 met de erkenning van het koninkrijk Griekenland. Egypte streed van 1833—1840 tegen Syrië. Frankrijk en Engeland wisten in den Krim-oorlog (1852--1854) den Russischen invloed terug te dringen en den Bosporus voor Russische oorlogsschepen te sluiten. Op het Congres van Berlijn in 1878, waarmede de Russisch-Turksche oorlog (1877-1878) werd beëindigd, werd Oostenrijks macht op den Balkan vergroot, terwijl de door Rusland in het leven geroepen Bulgaarsche staat van verschillende gebiedsdeelen werd beroofd. De moeilijkheden verminderden door de vorming van onafhankelijke Staten op den Balkan. De annexatie van Bosnië en Herzegowina en het feit dat Bulgarije zich onafhankelijk verklaarde gaf pr-hter in 1908 den toestand weder een ernstig

aanzien. In 1911 bezette Italië Tripolis en in 1912 verklaarden de verbonden Christen-Staten van den Balkan aan Turkije den oorlog. Een hardnekkige strijd volgde. Bij den vrede in 1913 moesten de Turken Macedonië en Oost-Thracië 1 afstaan. Daarop volgde een oorlog tusschen de overwinnaars, die eindigde met de vorming van het vorstendom Albanië. In den wereldoorlog streden de Turken met de Bulgaren aan de zijde van Duitschland en Oostenrijk. Bij den vrede van Sèvres in 1920 werd het Turksche rijk in Europa tot binnen de Tsjataldsja-linie teruggebracht, terwijl de Zee-engten onder het beheer van een internationalen raad zijn gesteld. Een zwak Turkije wenschen de mogendheden thans in Europa te handhaven. De Balkan blijft echter een brandpunt van internationale verwikkelingen. Het door den oorlog en het Fascisme sterk geworden Italië wenscht zijn invloed op dit schiereiland en vooral in Albanië uit te breiden en vindt hier Frankrijk tegenover zich. Joego-Slavië is een Staat van beteekenis geworden. Turkije doet zich weder krachtiger gelden dan te voren. Engeland waakt als steeds voor zijn handelsbelangen. [ 52.

Oosterwijk Bruyn (Willem van), werd den 16den Mei 1829 uit een aanzienlijk en niet onvermaard geslacht te Amsterdam geboren. De lezing van een leerrede naar Lucas 13 : 1—5 (La Repentance) van Ds Gaussen was het middel in Gods hand, waardoor hij zijn Heiland leerde kennen. Doopsgezind, voelde hij zich toch met alle geloovigen een, en zoo behoorde hij tot een der laatste mannen van het Reveil. Over deze beweging schreef hij twee boeken: Het Reveil ln Nederland (1890) en Uit de dagen van het Reveil (1900). Zijn geheele leven heeft hij gewijd aan de Christelijk Jongelingsvereenigingen. Hij behoorde tot de oprichters der Vereeniging tot bevordering van Evangelisatie, die den lsten October 1851 aan eenige jongelingen haar ontstaan dankte, en later de Jongelingsvereeniging Excelsior heette. Ook in de Commissie der Vereeniging onder den Handwerksstand, die kort daarop verrees, had hij zitting, gelijk hij in 1853 behoorde tot de oprichters van het Nederlandsch Jongelingsverbond. In 1857 werd hij hoofdredac-