is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

480

OUDE TESTAMENT

merkt worden door eene telkens aan het slot I voorkomende lofverheffing: „Geloofd zij de Heere in eeuwigheid, Amen ja Amen I" of eenigszins uitgebreider. Daarin hebben we te zien het resultaat van den arbeid der laatste verzamelaars (of van den laatsten verzamelaar). Maar dat er reeds voorgangers waren, blijkt hieruit, dat in Ps. 72 na de bedoelde lofverheffing nog staat: „De gebeden van David, den zoon van IsaT, hebben een einde". Dit toont, hoe oorspronkelijk de eerste twee deelen (Ps. 1—72) tezamen een afzonderlijk geheel vormden. Voorts bieden ons de opschriften van verschillende Psalmen nog aanwijzingen dat er vóór de laatste groote verzameling reeds onderscheidene kleinere Psalmenbundels bestonden, b.v. de Korachietische Psalmen, de Asafs-Psalmen, de liederen Hammaaloth, enz. Iets soortgelijks geldt van het boek der Spreuken. Leerrijk is hier in dit opzicht de aanteekening Spr. 25 : 1 „dit zijn ook spreuken van Salomo, die de mannen van Hizkia, den koning van Juda, uitgeschreven hebben. Hieruit blijkt dat er toen reeds eene Spreukenverzameling bestond, die echter door de mannen van Hizkia vermeerderd werd. Uit deze gegevens van het Oude Testament zelf blijkt overtuigend, dat het geheel der Oud-Testamentische geschriften in den vorm waarin wij het thans bezitten, niet maar op één bepaald moment is tot stand gekomen, maar de vrucht is van een eeuwenlangen arbeid, die reeds in de vroegste tijden is begonnen en gestadig is voortgezet, tot zij ten slotte tot afronding gekomen is.

Wanneer wij trachten te bepalen, wanneer die afronding ongeveer is bereikt, moeten wij eenerzijds hierop wijzen, dat dit natuurlijk niet vroeger kan geschied zijn, dan nadat het jongste boek van het Oude Testament geschreven was. Nu is naar alle waarschijnlijkheid het uitvoerig geschiedwerk dat in de aaneenschakeling van de boeken der Kronieken, Ezra en Nehemia ons geboden wordt, voor dit jongste geschrift te houden. En dit is, op grond van de gegevens, die ons deze boeken voor hunne dateering bieden, vermoedelijk even na 336 voor Christus vervaardigd geworden. Aan de andere zijde hebben we verschillende gegevens die ons het bestaan van het Oude Testament als een afgerond geheel met erkend Goddelijk gezag bewijzen. Wel wordt door sommige geleerden de meening aangehangen dat dit zelfs in de tweede eeuw na Christus nog het geval niet was, op grond van enkele uitlatingen van Joodsche rabbijnen die handelen over bedenkingen welke tegen enkele boeken van het Oude Testament, met name tegen Spreuken, Hooglied, Prediker en Esther, werden ingebracht. Toch geven deze later geuite bedenkingen geen recht om aan een veel vroegere afsluiting van den Oud-Testamentischen Canon te twijfelen, daar wij zeer duidelijke en onbetwistbare gegevens bezitten, dat de eenheid en Goddelijkheid van het Oude Testament, zooals wij het thans hebben, reeds lang voor het begin van onze jaartelling vaststond.

In de eerste plaats vraagt hier onze aandacht het Nieuwe Testament. Hier zien wij dat herhaaldelijk sprake is van „de schriften" (Matth. 26 : 54; Mare. 14 : 49; Luc. 24 : 32, 45; Joh.

5 : 39; Hand. 17 : 2, 11; 18 : 24, 28; Rom. 15:4; 1 Cor. 15 : 3, 4), door welke uitdrukking het Oude Testament als een eigen groep van geschriften, vormende een apart geheel, onderscheiden van andere geschriften, gekenschetst wordt. Al bizonder duidelijk is dit in Matth. 21 : 42, waar een citaat uit Ps. 118 wordt gegeven als voorkomende „in de schriften", zonder dat daaraan eenige nadere preciseering wordt toegevoegd. En deze zelfde schriften worden ook weer herhaaldelijk in het enkelvoud aangeduid als „<fe Schrift" (Joh. 2 : 22; 7 : 38, 42; 10:35; 17 : 12; 19 : 28; 20 : 9; Rom. 4 : 3; 10 : 11; 11 : 2; Gal. 3 : 8, 22; 4 : 30; 1 Tim. 5 : 18; Jac. 2:8; 4:5, 6); terwijl, gelijk we boven reeds aanwezen, in 2 Cor. 3:14 ook de benaming „het Oude Testament" reeds voorkomt. Dat deze schriften, die zulk een afzonderlijke gesloten eenheid vormen, ook Goddelijk gezag hebben blijkt onmiskenbaar hieruit dat het daaruit geciteerde met een eenvoudig „er is geschreven" wordt aangevoerd als het eind van alle tegenspreking (Matth. 4:4, 7, 10; 21 : 13; Mare. 11 : 17; Luc. 4:4, 8, 12; 19 : 46; 20 : 17; 24 : 46; Hand. 23 : 5; Rom. 12 : 19; 14 : 11; 1 Cor. 1 : 19; 3 : 19, 20; Gal. 3 : 10—13; 4 : 22, 27, 30; 1 Petr. 1 : 16). De apostelen erkennen een profetie van jesaja als een Goddelijk gebod tot hen gericht (Hand. 13 : 47), en de j Heiland zelf verklaart uitdrukkelijk dat de Schrift niet kan gebroken worden (Joh. 10 : 34).

Nu zou echter de vraag gedaan kunnen worden, of wij wel zekerheid hebben dat die Schriften van wier eenheid en Goddelijkheid het Nieuwe Testament zoo duidelijk spreekt metterdaad I geheel dezelfde zijn als de Schriften des Ouden Testaments; en of het niet zou kunnen zijn dat de Schriften waarop het Nieuwe Testament doelt ietwat meer of minder in omvang waren dan ons Oude Testament ? Het is waar, dat er enkele ij boeken van het Oude Testament zijn waaruit in jj het Nieuwe nooit eenige aanhaling wordt gedaan: Esther, Prediker, Hooglied, Ezra, Nehemia, jj Obadja, Nahum en Zefanja, maar dit bewijst niet 1 dat deze destijds niet tot den Oud-Testamenti- jj schen Canon behoorden. Wel is het opmerkelijk fl dat in heel het Nieuwe Testament nooit uit een ander boek iets met gezag wordt aangehaald, Ij dat niet tot het Oude Testament behoort. Doch dit bewijst eveneens nog niet met volstrekte jl zekerheid dat geen zoodanig boek tot de in het Nieuwe Testament bedoelde „Schriften" gerekend werd. Niettemin is er wel een gegeven in het Nieuwe Testament dat zooal niet met < dwingende zekerheid dan toch met buitengemeen sterke waarschijnlijkheid leidt tot de slotsom dat de Oud-Testamentische Canon daar precies ij dezelfde is als de onze. Wij lezen dat de Heiland Ij in Matth. 23 : 35 en Luc. 11 : 51 spreekt van „al het rechtvaardige bloed dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacharia den zoon van Barachia welken (de Joden) gedood (hebben) tusschen den tempel en het altaar". De moord op Zacharia wordt beschreven in 2 Kron. 24:21, en dit is naar de indeeling en volgorde van het Hebreeuwsche Oude Testament de laatste plaats tl waar van een bloeddaad wordt gewag gemaakt f 1