is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PALESTINA

505

De gunstigste plaatsen voor die ontwikkeling zijn de dalen. Niet daar, waar de stortbeken door de groote snelheid en zeer wisselende capaciteit alles meevoeren en den bodem met puinmassa's bedekken — zooals in de kloofdalen naar de Doode Zee. Maar in de dalen met meer gelijkmatigen waterafvoer naar de Middellandsche Zee. In de oudheid werden de dalen dan ook voor den landbouw benut: we lezen b.v. dat de lieden van Bethlehem den tarweoogst maaiden in het dal (dat is de Wadyes-Sarar), zie I Sam. 6 : 13, de korenrijkdom van het dal Refaïm was beroemd (Jes. 17 : 5), vermaard was de vruchtbaarheid van het dal Eskol (Num. 13 : 23).

Evenwel is de landbouw hier wel afhankelijk van bevloeiïng en terraseering. De sporen daarvan zijn vaak gevonden. Egyptische oorkonden (b.v. de veldtochten van Pepi I) bewijzen, dat reeds 2550 v. Chr. een rijke terrassencultuur bekend was, wat later blijkt uit den roman van Sinoehe. Ook de profeet Jeremia spreekt van een bewaterden hof (Jer. 31 : 12). In verband daarmee staat de inrichting van cisternen, waarvan zoo vaak sprake is (Deut. 6 : 10, 11; Neh. 9 : 25; 2 Sam. 17 : 18; Jes. 36:16 en verschillende andere plaatsen).

Het is waarschijnlijk de volkomen verwaarloozing van deze inrichtingen, die een der belangrijkste oorzaken is van den achteruitgang des lands. Met Hilderscheid zijn we van meening, dat het veranderen van de regenhoeveelheid niet waarschijnlijk is als oorzaak van den achteruitgang. Vermoedelijk moeten we hier, evenals in Mesopotamië, denken aan historische gebeurtenissen, die tot den achteruitgang voerden, en waarbij de moeizaam verkregen inrichtingen voor den landbouw werden verwaarloosd (de vernietiging van de wijncultuur door de Arabieren; de vele oorlogen in de eeuwen der Kruisvaarders; het wanbestuur der Turken).

c. El Ghor, een Arabisch woord dat „spleet" beteekent — dat is de benaming voor het Jordaandal. De beroemde aardrijkskundige Alexander van Humboldt noemt de groote „scheur*' van het jordaandal „het merkwaardigste geologische verschijnsel, dat in de geheele wereld te vinden was". En Karl Ritter, de grondlegger der wetenschappelijke geografie, noemt den Jordaan een rivier, zooals geen ander op de gansche aarde.

Men zie over dit dal het uitvoerige art. Jordaan.

d. Het Overjordaansche is in het Noorden een geweldig basaltisch vulkanenland (b.v. in Basan) een van de meest grootsche der aarde; in het Zuiden een vrij vlak land van horizontaal liggende krijtlagen („het effen veld der Rubenieten" Deut. 4 : 43; hier lagen de steden des platten lands, Deut. 3 : 10).

Algemeene karaktertrekken van het Overjordaansche land zijn:

A. Het is een goed land, vooral voor veeteelt (Num. 32).

B. Het ligt open naar de Syrische woestijn; nog steeds benauwen de kinderen van het Oosten (Richt. 8 : 10) de bewoners en brandschatten de landbouwers. Maar ook omgekeerd, de herders van Oost-Jordaanland trekken ver de woestijn in, zooals in de oudheid de Rubenieten (1 Kron. 5:9).

7. Het klimaat van Palestina. Dit wordt beheerscht door de tegenstelling tusschen den regenrijken winter (Hoogl. 2:11) en den drogen zomer (Ps. 32 : 4). En dit wordt veroorzaakt door de verschuivingen van den passaatgordel (zie art. Klimaat). Hierdoor waaien 's zomers passaatachtige Noordenwinden, die droogte veroorzaken.

De eigenschappen van het tegenwoordige klimaat van Palestina zijn in overeenstemming met de Bijbelsche gegevens over het klimaat. De Noordenwind als droge wind is in den Bijbel bekend.

De Noordenwind verdrijft den regen (Spr. 25 : 23). „De Noordenwind maakt den hemel rein als goud" omdat de hemel dan helder is, niet bedekt door wolken en nevel — zegt de Talmud. Natuurlijk geldt dit voor den Noordenwind in den zomer, want in den winter komt van de verstrooiende winden de koude (= uit het Noorden, Job 37 : 9).

In den winter brengen de zeewinden aan Palestina regen, dus winden uit den Westelijken kwadraat. Dit was ook het geval in de 9e eeuw voor Chr.; want uit Achabstijd(876—855)wordt ons vermeld: Zie een kleine wolk als eens mans hand komt op van de zee. En het geschiedde ondertusschen, dat de hemel van wolken en wind zwart werd; en er kwam een groote regen (1 Kon. 18 : 44 en 45). In de eerste eeuw was dit verschijnsel volkomen hetzelfde: Wanneer gij een wolk ziet opgaan van het Westen, terstond zegt gij: Er komt regen, en het geschiedt alzoo (Luc. 12 : 54). De Talmud zegt daarom: „De Westenwind is tot zegen". Op den laatsten dag van het Loofhuttenfeest zagen de feestgangers te Jeruzalem, eer ze wederkeerden, vol hoop naar de opstijgende rookzuil van het brandofferaltaar. Wanneer die rook naar het Oosten woei, brak luid gejubel los, want dan woei de Westenwind, die als voorbode van een regenrijken winter werd beschouwd. De Westenwind is niet alleen de regenrijkste luchtstroom; maar ook de wind, die het meeste waait. In verband daarmee was het verbod om in het Westen van de stad een leerlooierij te hebben, wijl, zoo zegt de Talmud, de wind hier steeds waait.

Brengt de Westenwind regen — de Sirocco uit de woestijn is gevreesd om de droogte. Het

is een luchtstroom uit het Zuiden ( wanneer

gij den Zuidenwind ziet waaien, zoo zegt gij: Er zal hitte zijn, Luc. 12 : 55) of uit het Oosten

( er zal een Oostenwind komen, en zijn

springader zal uitdrogen, Hos. 13:15, vgl. Ezech. 17 : 10). Recente beschrijvingen vermelden ons hoe deze woestijnwind veel stof meevoert en den hemel verdonkert — juist zooals we lezen

in den Talmud ( dat is de Oostenwind, die

den hemel verduistert).

Zoo wijzen ons de berichten in de oudheid er op, dat het dezelfde winden zijn als thans, die den regen brengen of droogte veroorzaken.

Gaan we nu na den tijd van den regenval. De natte tijd van het jaar begint met den vroegen regen. Evenwel is de aanvangstijd zeer verschillend: Chaplin vond dezen tusschen 4 October en 28 November; ja te Bethlehem moest men in 1888 wachten tot 13 December, te Tiberias in 1893 tot 10 December en in den