is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

538

PAULICIANEN — PAULSEN

vonden. 0.a. kerkte ook de heer H. J. Dibbetz bij hem. Hij was doorkneed in den Talmud, en schreef o.a. De groote verborgenheid, of: Hoe kunnen drie een zijn ? een boekje met aanhalingen uit de Heilige Schrift en uit de Chaldeeuwsche Omschrijvingen. Gedurende zijn dertigjarigen arbeid in de hoofdstad doopte hij 105 Joden. Na wegens lichaamszwakte zijn ontslag te hebben genomen werd hij opgevolgd door August Charles Adler, evenals hij een proseliet, die vroeger gewerkt had te Frankfort, en hem reeds sedert 1872 ter zijde stond. [ 30.

Paulicianen, Armenische dualistische secte (7e tot 12e eeuw), gesticht door Constantinus Manamalis, die zichzelven Sylvanus noemde. Deze vormde te Kibossa een gemeente, welke hij Macedonia noemde (660 n. Chr.). Vandaar maakte hij ijverig propagande voor zijn leer. De aanhangers dezer secte noemden zichzelven Christenen, maar zij noemden de leden der Catholieke kerk Romeinen. Oorspronkelijk schijnen zij in verband gestaan te hebben met Marcions gemeente. Zij leerden, dat tegenover den demiurg of wereldschepper de goede God, de hemelsche Vader staat. Vóór Christus was die Vader onbekend. Tot het goede behoorde alleen, wat geestelijk was en tot het kwade, wat zinnelijk was. Allen, die vóór Christus gekomen waren, waren dieven en moordenaars. Het Oude Testament werd als werk van den demiurg verworpen. Het Nieuwe Testam ent werd aanvaard, uitgenomen de twee brieven van den apostel, die een verloochenaar 'geworden was. Hun eeredienst was hoogsteenvoudig, de inrichting geschiedde naar apostolisch model. Zij keurden af de veelheid der ceremoniën, de vereering der beelden, alsmede de verhouding van kerk en staat. Zij waren heftige bestrijders van de caesaropapie der Byzantijnsche kerk. Zij schuwden alle overheersching en zij duldden daarom in de *erk zelfs geen presbyters. Zij eischten ascese, maar waren niet rlgorlstisch. Doop en avondmaal werden verworpen. Christus had volgens hen zijn lichaam uit den hemel medegebracht. "

De Paulicianen werden vervolgd. In 690 viel het hoofd der secte, Titus, als martelaar. Zijn «niniiiior was r,pnpxiiis Timotheus. die zich in

Constantinopel moest verdedigen voor den patriar/>h en .Hip rprhtztanip bevonden werd. In 801

trad Sergius-Tychicus als reformator der secte op. Leo de Armeniër vervolgde ze weer. Nu traden de Paulicianen op den weg der politiek. Zij stichtten een militaire kolonie en overwonnen dikwerf de keizerlijke troepen. Basilius Macedo vernietigde hun leger totaal ln 871. Met de politieke macht der secte was het nu gedaan, maar de secte zelve bleef voortbestaan tot in de 12de eeuw. Velen keerden toen tot de kerk terug, de on verzoenlijken sloten zich waarschijnlijk aan bij de latere Bogomilen. [ 24.

Paulinus van Antiochië, die na de afzetting van Eustathius als presbyter de gemeente der aanhangers van Nicea in Antiochië leidde. Na de verkiezing van Meletius (zie art.) tot bisschop van Antiochië sloot hij zich met zijn gemeente niet bij Meletius aan. Voordat er pogingen tot verzoening hadden plaats gehad, werd hij door Lucifer van Caktris tot tegen-

bisschop in Antiochië gewijd. De Synode te Alexandrië 362 kon op principiëele gronden deze verkiezing niet voor ongeldig verklaren en erkende daarom Paulinus als bisschop. Hij had bezwaren tegen Meletius, wat diens beschouwing van de leer der Triniteit aanging. Meletius leerde: een ovola en drie hypostasen, maar Paulinus leerde, dat oio-la en fmóoraois dezelfde beteekenis had en daarom sprak hij van één {móoxaois en drie noóomua. Hoewel beiden hetzelfde bedoelden, waren de Westerschen, die van drie personae spraken, meer voor noóoama dan voor {mooróaeis, omdat volgens hen de laatstgenoemde uitdrukking tot driegodendom kon leiden. Toen Meletius stierf, werd Paulinus door de aanhangers van Meletius niet als bisschop aanvaard. Zij kozen Flavtanus. De Synode van Constantinopel erkende dezen als opvolger van Meletius. De scheiding duurde voort tot na den dood van Paulinus (388). [ 24.

Paulinus van Nola (Pontius Mcropïus Anlclns), geboren 353 te Bordeaux, behoorde tot een rijke en aanzienlijke familie. Zijn vader was praefectus praetorio van Gallië. Paulinus was een begaafde jongeling. Hij bekleedde reeds voor 379 het consulaat. Spoedig zei hij het politieke leven vaarwel en huwde met een Spaansche vrouw, die zeer rijk was. Door den omgang met mannen als Ambrosius, Martinus van Tours, door den dood van een lang begeerd kind en andere omstandigheden zeide hij het leven in de wereld geheel vaarwel. Hij beoefende van nu aan met zijn vrouw de ascese; Beiden gingen naar Nola InCampanië. Zijn ver¬

mogen besteedde nij voornamen.]* iui uciuauigc doeleinden. In Barcelona werd hun door het volk de presbyteriale waardigheid opgedragen. In Nola bouwde hij een hospitaal voor monniken, armen, en kerken. Hij leefde steeds in strenge ascese en studeerde theologie, onderhield briefwisseling met Augustinus en Hieronymus, ging met Vigtlantius, Rufinus enPetagtnsomenwerd in 409 bisschop van Nola. Hij beleefde de zware tijden onder Alarlk en hij stierf in 431, alge* meen geacht en bemind. Paulinus bracht voor zijn bekeering 3 boeken van Suetonius in dichtvorm. Na zijn bekeering maakte hij vele Christelijke gedichten o.a. een cyclus van panegyrische gedichten op den heiligen Felix van Nola, een «dicht van 330 hexameters op Johannes den Dooper en vele andere. Verder liet hij na 50 brieven in proza, die minder goed van stijl zijn. Zij ademen allen een ascetischen geest. Men vindt bij hem een overdreven heiligen- en reliquieënvereering. Hij heeft een door hem gebouwde Basilica beschreven, die veel materiaal levert voor de geschiedenis der Christelijke bouwkunst. [ 24.

Paulscn (Friedrich), hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de universiteit te Berlijn, waar hij in 1908 op ruim zestigjarigen leeftijd is gestorven. Zijn hoofdwerken, over het algemeen gemakkelijk en leesbaar geschreven, zijn in Verschillende talen vertaald. Ook in ons land waren voor enkele jaren de filosofische werken van Paulsen zeer bekend. De meeste literarische studenten hadden zijn Einleitung in die Pnüo<-