is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

550

PENTATEUCH

worden gesteld, met gebruikmaking van het zeer uitvoerige Mozaïsche materiaal dat in het reisjournaal van Mozes (Num. 33 : 2) en-in de wetten tot zijn beschikking stond, aan den Pentateuch zijn tegenwoordige gedaante heeft gegeven.

Deze beschouwing kan geen genade vinden in de oogen van hen, die meenen, dat toch eigenlijk het geheele historie-verhaal van den Pentateuch onbetrouwbaar is, en die met name van oordeel zijp, dat de Pentateuchale wetgeving piet van Mozes kan afkomstig zijn. Zij zouden daarom, ook al moest de vier-bronnen-theorie en de geheele bronnensplitsing worden prijsgegeven, toch, de waarheid van het in den Pentateuch medegedeelde, en in 't bizonder den Mozaïschen oorsprong van het overgroote deel van het daarin verwerkte materiaal, blijven bestrijden. Zooals 041. bij prof. Eerdmans blijkt. We wezen er reeds op dat de waarheid van het in den Pentateuch verhaalde, en derhalve ook het Mozaïsche karakter van de Pentateuchale wetgeving geêischt wordt door het gezag van de Heiligé Schrift als het Woord van Ood. Dit ontslaat ons evenwel niet van den plicht om ook de bezwaren, welke tegen deze waarheid worden ingebracht, ter toetsing te brengen. Voor een deel hangen deze bezwaren saam met een evolutionistische beschouwing van de geschiedenis der menschheid, ook ten opzichte van haar geestelijke goederen, ook dus ten opzichte van de religie. Met het oog daarop kan men het niet voor juist houden, dat in het boek Oenesis de ware, zuivere Godskennis aan den aanvang wordt geplaatst, en de verdere voortgang der historie Sis een vervallen van deze Godskennis wordt geteekend. Men ziet in de geheele z.g.n. oer-geschiedenis slechts een verzameling van mythen en sagen. Doch deze zelfde evolutionistische beschouwing heeft een overwegenden invloed uitgeoefend op de opvatting omtrent de Mozaïsche periode. Ook hier meende men het standpunt van de Pentateuchale wetten voor die periode onmogelijk te moeten achten; en in stee van naar de Heilige Schrift Israëls afval, zooals die vooral in het boek der Richteren wordt geschilderd, te aanvaarden, verschoof men de wetgeving als het product van een geleidelijke" opklimming tot na den arbeid der profeten. Deze zouden eerst het standpunt van de wetgeving hebben voorbereid en mogelijk gemaakt, zoodat voor de Schriftuurlijke volgorde van wet en profeten in de plaats moest worden gesteld die van profeten en wet. Dat echter het standpunt der Evolutie niet op wetenschappelijke bewijzen steunt, maar slechts een a priori aanvaarde overrniffino- is. map hier wel als bekend worden

aangenomen. En het is merkwaardig genoeg dat met name ten opzichte van het verschijnsel der religie de nauwgezette bestudeering van het oudste verleden der ons bekende cultuurvolken eer ln omgekeerde richting heeft gewezen dan die welke de Evolutie-leer als de juiste meende te mogen aannemen. Over deze evolutionistische bezwaren spreken we hier dus verder niet. Maar er zijn eenige andere bedenkingen van meer zakelljken aard, die we wel onder de oogen moeten zien. Men meent er namelijk op te kunnen wijzen, dat de gegevens die ons de

overige boeken van het Oude Testament bieden in flagranten strijd zijn met de door den Pentateuch gegeven voorstelling omtrent de inrichting van den eeredienst, zooals die door Mozes op Qods bevel aan' Israël geboden en onder Israël tot stand gebracht was. Van heel de uitgewerkte hiërarchie met Levieten, priesters en hoogepriesters, van den tabernakel, en den daarbij uitgeoefenden eeredienst, zou in den tijd van de Richteren en Koningen geen spoor te bespeuren zijn. Godvruchtige leidslieden van Israël, koningen en profeten, zouden voortdurend allerlei dingen hebben gedaan welke met de Pentateuchale wetgeving absoluut niet strookten; en eerst door de reformatie van Josia zou er een begin gemaakt zijn met de tenuitvoerlegging van wat door de Pentateuchale wetgeving zoo nadrukkelijk wordt geëischt. .Hiertegen moet allereerst worden opgemerkt dat het ontbreken van aanwijzingen voor het bestaan der Mozaïsche wetgeving in de boeken Richteren, Samuël en Koningen nog volstrekt niet bewijst dat deze toen niet bestond; voorts dient te worden geconstateerd dat het stilzwijgen dezer boeken waarlijk niet zoo volstrekt is als men wel wil doen voorkomen; zoo wordt herhaaldelijk melding gemaakt van de ark, en ook van een tent of tabernakel, waarin deze werd bewaard, maar dezelfde geleerden die op het stilzwijgen der latere historische boeken zooveel nadruk leggen, verklaren dat deze niet dezelfde zijn als die waarvan In den Pentateuch sprake is. Vooral ook vinden we dergelijke verwijzingen naar den Pentateuchalen eeredienst in Kronieken, maar hiervan wordt de geloofwaardigheid in twijfel getrokken. Dan zij er op

gewezen aat ae overtreaing van rcuiaicutuaic voorschriften, ook door godvruchtige volksvoorgangers, nog in het minst niets tegen het bestaan van die voorschriften bewijst: in een periode van algemeene Inzinking en verbastering als na de verovering van Kanaan bij Israël is ingetreden is het zeer wel mogelijk dat zelfs de edelsten en besten, al steken ze relatief ver boven hunne tijdgenooten uit, nog veel doen wat .aan den strengen eisch der wet niet beantwoordt. Bovendien kunnen ln zulke tijden buitengewone omstandigheden een practijk wettigen welke in normale tijden zeker niet geoorloofd zou zijn. Trouwens tegenover het geheele beweren der bestrijders van de geloofwaardigheid van den Pentateuch kan een breede rij van plaatsen worden gesteld uit alle overige boeken van het Oude Testament, waaruit bekendheid met de Pentateuchale wetgeving blijkt, en waardoor het bestaan van die wetgeving wordt bewezen, een rij van getuigenissen welke opklimt tot in den tijd van Jozua, en ons leert dat ze reeds toen, onmiddellijk na Mozes, een niet onbeduidende plaats in het volksleven had. Nog een derde groep van bezwaren, die men tegen de geloofwaardigheid van den Pentateuch inbrengt, heeft betrekking op beweerde tegenstrijdigheden die daarin gevonden zouden worden. Het spreekt vanzelf dat, indien men werkelijke tegenstrijdigheden in den Pentateuch kon aantoonen, die niet op een natuurlijke en bevredigende 'wijze op te lossen waren, dit ons zeker voor ernstige moelijkheden zou plaatsen. Niet alsof