is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

574

PINKSTEREN

revivals of opwekkingen in Wales (1902—1905) onder inspiratie van een zekeren smidsknecht, Evan Roberts. Vandaar plantte zij zich voort naar CaMfornië, waar Seymour predikte; naar Noorwegen (Christiania), vanwaar. Barratt rondreisde, die 39 dagen lang bad om den Geest, op een dag 12 uren achtereen; naar Duitschland, waar pastor Paul Stegliz het hoofd van de beweging werd; en naar Nederland waar Polman en zijn echtgenoote er zich aan gaven. Scheen ze internationaal te zullen worden, thans schijnt ze over haar hoogtepunt heen te zijn. Op de conferentie te Barmen 20 December 1907 gaven 36 leiders den raad om „zich een heilige terughouding met waken en bidden op te leggen .

Haar verschijnselen zijn: geestelijke opwinding, stuiptrekkingen,zielsverrukkingen,en vooral tongenspraak en profetie. Hoofdzaak is, de menschen op te winden, kranken te genezen, den Geestesdoop te ontvangen, in vreemde talen te profeteeren en zoo de kerk van Christus te hernieuwen naar de Jeruzalemsche gemeente. Uit den Bijbel neemt men alleen het Pjnksterf eest over om dat geestelijk na te bootsen. Men dwingt om den Geest der voorspelling en vervalscht het begrip der Nieuwtestamentische profetie. Zij zoekt haar kracht in bijzaken, in het buitengewone, en miskent de hoofdzaak en de gewone werkingen des Geestes in de wedergeboorte, het geloof, de bekeering enz. Zij overschat het spreken in vreemde talen in Hand. 2 en 1 Cor. 14 en tracht het door suggestie op te wekken. Zij maakt zich aan opwinding, dweperij en hoogmoed schuldig, die verderfelijk zijn voor lichaam en ziel. Een zekere Dailmeyer, die er van terugkeerde, houdt ze „van 't begin tot het einde voor leugen en bedrog". Toch ligt er een waarschuwing in voor de kerk van Christus om het verlorene op te zoeken en het weggedrevene terug te brengen. Zie H. Bakker, Stroomingen en Sekten van onzen tijd, Kemink en Zoon, Utrecht, blzz. 107—112, en de litteratuur door hem opgegeven. [11.

Pinksteren. Dit woord is afgeleid van het Grieksche pentêkostE, d. w. z., de vijftigste dag en wel die dag, die vijftig dagen viel, na den dag, waarop bij het feest der ongezuurde brooden de garve der eerstelingen was gebracht als een beweegoffer, dat den priesters ten deel viel. Wij lezen toch in Lev. 23 : 15: daarna zult gij u

tellen van den anderen dag na den sabbath

De garf van het beweegoffer op het feest der ongezuurde brooden werd gebracht den dag volgende op den sabbath, dus op Zondag (Lev. 23 : 11). Ten tijde van onzen Heiland werd anders «orairPtiH nan telde men steeds vanaf den 16en

Nisan, zeven volle weken, tot den 6 Sivan, op welken dag van de week die ook mocht vallen. Daarover was reeds voor en ten tijde van den Heiland verschil onder de Joden. Men begon naar de teksten boven aangehaald te tellen van af den dag dat de eersteling-garve van den gerstenoogst werd bewogen. Dat was het begin van de drie oogstfeesten; het tweede oogstfeest werd op den vijftigsten dag daarna gevierd, ook op een Zondag. Deze feesttijd begon derhalve op een Zondag en eindigde op een Zondag. Dan werden als een beweegoffer aangeboden de twee

gezuurde Piifkster-eerstelingen van tarwe. Zij moesten uit 2/io epha meel worden gebakken en waren volgens de overlevering zeven handbreed lang, vier handbreed in de breedte. Het ging weer gepaard met een drievoudig offer. Het feest van de eersteling-garf van den gerstenoogst was Ij slechts de opening van het voorjaarsfeest. Hbs* stèren of het Feest der weken was het slotfeest; dan was de tarweoogst beëindigd; twee tarwebrooden werden aangeboden; dit feest was veel rijker. Het brandoffer, als teeken der dankbaarheid, ging voorop. Het middelpunt van de offers op dit feest werd gevormd door het zondoffer, dat uit een geitenhok bestond, vertolkende de begeerte om verzoening te erlangen van de zonden die kleefden aan den arbeid des oogstes. Dan volgde nog het vredeoffer, waardoor werd te kennen gegeven dat de gemeenschap met God weer was hersteld, 't Was een offer der gansche gemeente en dus vielen de lammeren'^en de I brooden den priester ten deel. De brooden waren gezuurd, want het was het offer der dankzegging voor het dagelüksch brood. Num. 28 en Lev. 23 te zamen bieden ons het overzicht van de offers die op dit feest werden gebracht. De offers aldaar genoemd zijn de bizondere offers van dit feest, ook volgens Flavius Josephus en de Mischna (traditie). Heel deze tijd van af het feest der ongezuurde brooden tot op den Pinksterdag werd als een feesttijd beschouwd, gelijk ook het geval was in de oude Christelijke kerk. Eerst het latere Jodendom beperkte dezen feesttijd tot twee feest¬

dagen, aien van ue ungciumuc wuumv.. — van het feest der weken of van den Pinksterdag. Feest der weken werd het genoemd omdat daardoor het tijdperk der zeven weken werd gesloten i (Deut. 16 : 16). Daar het viel aan het einde van den oogst heette het ook: feest des oogstes (Ex. 23 : 16; 34 : 22b). Omdat het als het ware de dankdag was voor den graanoogst droeg het een vroolljk karakter, terwijl bij het Paaschfeest de meer ernstige stemming overheerschend was. Daarom moest men met vrijwillige offers komen tot het heiligdom, naardat men vermogen had en de oogst had opgeleverd. Dan hield men bij j het heiligdom met zijn gansche huis offermaaltijden en vooral de armen, de levieten en de vreemdelingen mochten niet worden vergeten j (Deut. 16:10 vv.). De uitdrukking met betrekking tot de twee eersteling-brooden: gijlieden zult uit uwe woningen twee beweegbrooden brengen, heeft eenige moeite gegeven en tot de verkeerde opvatting geleid alsof ieder gezin twee brooden moest brengen naar het heiligdom; zoo heeft g Luther het opgevat. De Leidsche vertaling heeft: uit uwe woonplaatsen en begrijpt dit niet goed, daar er toch slechts één offer van twee brooden werd gebracht. Zij acht dit wel duidelijk toen ' de gewoonte, volgens haar gold, dat „elke landbouwer bij het binnenhalen van den oogst een offer bracht en dus alom brooden uit de pas ingezamelde tarwe aan de godheid werden aangeboden". Noch de kantteekenlng, noch van der Palm of Browns bible zeggen iets van die woningen of woonplaatsen; von OrelH vat het op in den zin dat het brooden moesten zijn gebakken van meel van koren geoogst niet inden vreemde, doch in het eigen land.