is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

594 POOT -

gaf de poort toegang (Luc. 16 : 20). Mordechai zat in de poort des konings, niet dat hij een betrekking aan het hof had; doch daar hield hij} zich gewoonlijk op en zoo is het begrijpelijk hoe hij de samenzwering kon ontdekken en er Esther van op de hoogte stellen. Staat er in Neh. 8 : 17 en Job 29 : 7 straat of in de Leidsche vertaling plein dan wordt daarmede de open ruimte bij de poort bedoeld alwaar men o.a. ook markt hield (2 Kon. 7:1; Neh. 13 : 19). Om nieuwtjes te hooren en te vertellen ging men naar de poort (Oen. 19:1; Ps. 69:13; Spr. 31:31; 1 Sam. 4 : 18; 2 Macc. 3 : 19). In Bethlehems poorte, dat wil zeggen daarbij, was een bornput. Dit kan ook elders wel zoo zijn geweest (2 Sam. 23 ; 15). Het was de aangewezen plaats voor degenen die hun tijd in lediggang doorbrachten, want daar werd o.a. recht gesproken (1 Kon. 22 : 10; Jer. 38 : 7; Ez. 11 : 1; Jer. 26 : 10; Job 29 : 7; Spr. 31 : 23; Klaagl. 5 : 14). Naar Job 29 : 7 liet men zich daarheen een stoel nadragen; zijn rechterstoel. Daar sloot men contrakten opdat de onderhandeling in het openbaar zou plaats hebben (Gen. 23 : 10). Vóór de poort van Jizreël werden de hoofden der terechtgestelde koningszonen in twee hoopen gelegd (2 Kon. 10 : 8). Daar werd te Beth-sjean de romp van Saul aan de muur gehangen (1 Sam. 31:10). Vergelijk ook Hebr. 13 : 12: daarom heeft ook Jezus, Opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden. Overdrachtelijk wordt Jeruzalem de poort der volken genoemd, als waarbinnen de volkeren stroomden; een plaats voor het wereldverkeer. Jacob noemt Bethel een godshuis, een hemelpoort. De smalle poort uit de gelijkenis van den Heiland, is de toegang tot het koninkrijk der hemelen, het is een poort die moeilijk is te vinden, waar men moeite moet doen om door te komen, waarvoor men zich verdringt (Matth. 7:13,14; Luc. 13:24; Matth. 11 : 12). Van de poorten der hel wordt in onderscheidene plaatsen in de Schrift ge* sproken (Job. 38 : 17; Ps. 9 : 14; Ps. 107 : 18; Jes. 38 : 10; Wijsheid 16 : 13 en Matth. 16:18). Aldaar is sprake van de poorten des doods, van het graf, der hel. Het doodenrijk, in die plaatsen bedoeld, Is niet wat door ons onder hel wordt verstaan: de plaats der verdoemden van Ood; maar daarmede wordt gedoeld op de macht des doods. Die macht wordt als een burcht voorgesteld: met poorten; gaat men daar door, dan is men in de macht des doods. Verder worden die poorten voorgesteld kracht te hebben; als men in de buurt daarvan komt, dan trachten de deuren daarvan hem te grijpen, zich achter hem te sluiten en hem zoo te doen sterven. [ 8.

Poot (Hubert Cornells), 1689—1733, 18e eeuwsch dichter, was een boerenzoon uit de omgeving van Delft (Abtswoude) en is vrflwel heel zijn leven in den boerenstand gebleven. Kunstliefde was hem aangeboren en zoo kwam hij al spoedig in aanraking met de dichtgenootschappen in zijn omgeving. Maar het formeele van deze nieuwe rederijkerij bevredigde hem niet, vooral niet, toen hij ging lezen en studeeren en kennis gemaakt had met de poëzie van Hooft en Vondel. Hij ging dus zijn eigen weg. In 1716 gaf hij zijn eersten bundel Mengel-

POPPIUS

dichten, die hem aanstonds bekendheid-gaven onder de poëten van zijn tijd (de Bijbelstoffen uit dezen bundel, overigens niet de beste gedichten, bewijzen zijn vroomheid). Later voegde hij aan deze eersteling enkele bundels toe. Typeerend voor Poot is, dat hij in zijn werk telkens, soms in zonderling verband, te pas brengt de classieke wijsheid, waarmee hij, studeerende, heeft kennis gemaakt. Daardoor wordt sterk de indruk gewekt van geleerdheids vertoon. Voorts vermengt hij steeds wat hij gelezen en gezien heeft, zoodat hij onwerkelijk wordt en vaak bombastisch (karakteristiek is in dit opzicht zijn bekendste gedicht Akkerleven). Toch valt niet alle waarde aanzijn werk te ontzeggen, omdat hij in een tijd van formalisme een der weinigen is die origineel durft zijn en dus blijkt te beschikken over wat de eerste voorwaarde is voor kunst: het emotioneele. [ 45.

Pope. I. Pope, het Russische woord voor priester in de nationale kerk.

II. Alexander Pope, Engelsch dichter (1688— 1744), voornaamste werken: The rape of the lock, schildering van de zeden van zijn tijd, es Essay on man, een didaktisch gedicht. Men roemt in hem zijn verstechniek, zijn correctheid van uitdrukking, maar zijn verzen lijden aan gebrek aan gedachten en verheffing. [ 46.

Poppias. I. Menso Poppias, in het begin der 16de eeuw te Oosterzee in Friesland geboren, fungeerde eerst als Roomsch geestelijke in Friesland. In 1542 ontvluchtte hij zijn vaderland. In 1550 aanvaardde hij het predikambt te Manslagt in Oost-Friesland. Hij kwam kloek voor zijn beginsel uit. In 1559 viel hij te Leeuwarden in handen van de Inquisitie. Met Calvijn trad hij in correspondentie (loannis Calvtni Opera Omnia, Brunsvigae, 1877 et '78, vol. XVII, col. 451—454; col. 628—632; vol. XVIII, col. 43). In 1555 gaf hij te Manslagt zijn Septem Cyclopeidon libri uit. Hij gold voor een geleerd man, Calvinistisch, maar zacht van gemoed. [ 18.

II. Eduardus Poppias in 1576 of 1577 te Enkhuizen geboren, overleed op Loevenstein den 9den Maart 1624. Den 12den Juni 1596 werd hij op 19-jarigen leeftijd als pupil van het Statencollege aan de Leidsche Universiteit ingeschreven. In 1599 werd hij predikant te Amstelveen en in 1607 te Gouda. In 1603 woonde hij de Particuliere Synode van Noord-Holland bij en werd hij met anderen aangewezen om Ds Venator van Alkmaar te vermanen. In 1610 teekende hij de bekende Remonstrantie. In 1611 was hij een van de zes Haagsche conferentiegangers van Remonstrantsche zijde. In 1616 gaf hij een sedert veel gelezen werk uit, getiteld: De Enge Poorte (een bundel predikatiën), waarvan in 1624 een Aenhanghsel verscheen. Toen hij in 1618 als een der geciteerden naar Dordrecht toog, werd de Gasthuiskerk te Gouda aan de Gomaristen afgestaan. Op de Dordtsche Synode heeft hij zich krachtig geweerd. Hij fungeerde er als assessor van Episcopius (Kaajan, De groote Synode van Dordrecht ln 1618—19, Amsterdam, 1918, bldz. 83, 104, 117, 147, 149, 151, 158, 159, 164, 166, 167, 233). Met de andere geciteerden werd ook hij uit zijn ambt ontzet en moest hij op 6 Juli 1619 naar Waalwijk uitwijken. Den 4den October