is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM EN PSALMBOEK

631

nauwer wordt de band met Brandenburg, als het keurvorst Frederik III gelukt den titel „Koning in Pruisen" te verwerven (1700). Dan raakt de naam Brandenburg op den achtergrond; het koninkrijk Pruisen omvat bij den Vrede van Utrecht (1713) ook enkele belangrijke stukken aan den Beneden-Rijn. Frederik Wilhelm I (1713— 1740) bevestigde de bestuurlijke eenheid zijner landen en schiep den „Pruisischen" ambtenarenstand. Zijn zoon, Frederik de Qroote, verwierf in Silezië een belangrijke gebiedsuitbreiding, die hij In den zevenjarigen oorlog handhaafde. Een nieuwe vergrooting ondergaat Pruisen, als de Poolsche deelingen eerst de provincie WestPruisen, dan Danzig en Posen er bijvoegen. Na de crisis der Napoleontische oorlogen wordt Pruisen, dat nu nagenoeg geheel Noord-Duitschland bezit, de grootste staat van den Duitschen bond. Bismarck verhief het in de oorlogen van 1866 en 1870 tot den machtigsten staat van het vasteland. Pruisen beheerscht tot 1918 de Duitsche politiek. Na den wereldoorlog gaan verschillende gebieden weer verloren, o.a. de provincie West-Pruisen, daar Frankrijk voor zijn beschermeling Polen een zeehaven (Danzig) wenscht. Sinds Wilhelm II naar Nederland vluchtte (11 November 1918) Is Pruisen een republiek. Het is thans nog èn politiek èn oeconomisch door zijn straffe organisatie, zijn landbouw en zijn industrie, de belangrijkste staat in Duitschland, dat zonder Pruisen onvermijdelijk in vele kleine staten uiteen gevallen zou zijn. [ 46.

Psalm en Psalmboek. 1. Ons woord „psalm" is afkomstig van het Qrieksche psalmos, waarmede eerst werd aangeduid het tokkelen van snaren, daarna het op een snareninstrument gespeeld stuk en eindelijk het daarbij gezongen lied. Dit Grieksche psalmos is dan ook de zeer juiste vertaling van het Hebreeuwsche mtzmdr, dat ook niet anders beteekent dan een met snarenspel begeleid lied en dat we als opschrift boven 57 liederen aantreffen. Het lag dus voor de hand, dat de Grieksche vertalers van het Oude Testament deze verzameling liederen aanduidde als „psalmen", waarom dan ook in het Nieuwe Testament sprake is van „het psalmboek" (Luc. 20:42; Hand. 1 : 20). Een Grieksch handschrift van het Oude Testament, de z.g. Codex Alexandrinus, noemt het psaltèrton, waarmede de Griekeneen zeker snareninstrument aanduidden.

De synagoge echter heeft dezen liederenbundel anders genoemd. Zij spreekt steeds van tehilUm (soms tlllïm of ttuln), wat we bij Origenes, Hippolytus, Eusebius en Hieronymus terugvinden. Dit tëhillïm is het meervoud van tëhilla, welk naamwoord gevormd is van het werkwoord halal, jubelen, loven, prijzen. Bijna uitsluitend is de Heere het voorwerp van dit halal. Zoo wordt dan ook tëhilla gaarne gebruikt tot aanduiding van een loflied ter eere Gods (zie Ps. 22 : 26; 33 : 1; 34 : 2 en elders). Dit woord benadert dus den inhoud dezer theocentrische liederen veel beter dan ons psalm. Des te meer wekt het verbazing, dat het in de opschriften slechts eenmaal (Ps. 145 : 1) gebruikt wordt ter aanduiding van het lied.

Uit het onderschrift van Ps. 72 blijkt, dat althans in een der aan onzen bundel ten grondslag liggende

verzamelingen deze liederen werden aangeduid als „gebeden", wat we ook weer in het opschrift van Ps. 17, 86, 90, 102 en 142 terugvinden. Deze benaming voldoet nog beter dan de tweede. Maar ten slotte kan toch geen dezer een typeerende kenteekening zijn voor alle psalmen. Daarvoor loopt hun inhoud te ver uiteen. Immers hieronder vinden we hymnen, gebeden en liederen, die zich te minder onder één gezichtspunt laten samenvatten, wijl deze groepen weer in andere uiteenvallen: processie-, feest- en overwinningshymnen, liturgische en eschatologische hymnen, geestelijke en didactische liederen.

Of het psalmboek onder Israël en het Jodendom nog een anderen naam heeft gehad, weten we niet. Maar hoe dit ook zij, geen woord kan uitdrukking geven aan wat Israëlsschatboek maakt tot wat het is. We beluisteren hier ootmoedig gebed en jubelende dankzegging, aanschouwen hier het diepste zielelijden en zegevierende verwachting. We zien hier het menschenhart ten diepste geschokt door verzoeking en hartstocht en zijn er getuige van hoe het opspringt in blijde uitredding en wondere verlossing. De snaren der zieleharp trillen nu eens van leed en smart, wanneer de vervolging van alle zijden losstormt of de raadselen des levens benauwend opdringen, dan weer van hooggestemd Godsvertrouwen en zegevierende verwachting. Hier geen grijpen naar aesthetisch genot voor zich en anderen, maar een ontsluiting der menschenziel voor de levenswerking Gods. Hier geen egocentrisch bedoelen of menschen verheerlijking, maar een uitgaan naar den Eeuwige, in wiens gemeenschap de hoogste zielevreugde wordt gesmaakt. Zelfs in nationaal gehouden zangen vinden we hier hier geen streeling van volksbewustzijn, maar grootmaking van dien God, die „ wonderen doet op wonderen hooren", een terugleiding van het volk naar zijne voorhoven, waar alles spreekt van onveranderlijke trouw. Niet de mensch, maar God staat hier in het middelpunt. Verwijdering van Hem doet klagen; gemeenschap met Hem doet juichen. De smaad van Zijn volk werpt ter neer en Zijn verlossende daden heffen op. Eigen leven en alle wereldgebeuren wordt op Hem teruggevoerd. Zijn gangen in het verleden worden nagespeurd; zijn toekomstige heerlijkheid biddend ingewacht, wanneer het Rijk komen, de Koning heerschen zal. En dat alles bloeit op uit het onwrikbaar geloof aan des Heeren beloften, uit het zich-vastklemmen aan Zijne toezeggingen. Hierdoor houdt het Israël Gods zich staande in het donkere heden, strekt het in biddend verlangen zien naar de lichtende toekomst uit.

2. Hoewel er een Joodsche traditie is, die spreekt van 147 psalmen „in overeenstemming met de 147 levensjaren van onzen vader Jacob", en ofschoon de oudste handschriften dikwijls Ps. 42 en 43, ook Ps. 114 en 115 met elkander verbinden, stemmen alle tekstgetuigen daarin overeen, dat er 150 psalmen zijn. Maar de afgrenzing en in verband daarmede de telling der verschillende psalmen is weer niet bij alle dezelfde. Zoo vormen in de Grieksche en in de Latijnsche vertaling (Septuaginta en Vulgata) Ps. 9 en 10 en ook Ps. 114 en 115 één geheel. Daarentegen vormen Ps. 116 en 147 bij haar vier liturgische