is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RAADOEVINGEN — RAADSHEER 665

Dit is o.a. gebeurd van 3 April tot 2 Mei 1889 en van 29 October tot 20 November 1890, toen koning Willem III buiten staat was verklaard de regeering waar te nemen.

Ook heeft de Raad het recht zich tot den koning te richten in verband met aangelegenheden van wetgeving en bestuur, die naar zijn meening het tot stand komen van wetten of algemeene maatregelen van bestuur wenschelijk maken.

Ten slotte kunnen de ministers aan de afdeelingen van den Raad voorlichting vragen in zaken van wetgeving en bestuur. [ 47.

Raadgevingen (consilia). De RoomschCatholieke moraal onderscheidt consilia (raadgevingen) en praecepta (voorschriften). Deze onderscheiding is niet van Christelijken oorsprong. We vinden ze het eerst bij de Stoa. Deze had een strenge moraal, maar moest in de practijk komen tot concessies. Ze maakte onderscheid tusschen altijd-geldende en middelmatige plichten. Men kreeg zoo tweeërlei deugd en tweeërlei moraal. Dit werd in de kerk overgenomen. Origenes maakte al onderscheid tusschen praecepta en consilia (Ep. a.d. Rom. 5. III). Praecepta waren de voorschriften die in Gods Woord lagen. Deze waren voor allen zonder onderscheid; maar consilia, d. w. z. raadgevingen waren er slechts voor enkelen. Tot het nakomen of opvolgen van de consilia was men vrij. Deze onderscheiding kreeg vooral beteekenis sinds het monnikenwezen zich uitbreidde. Wie de praecepta opvolgde was nog maar een onnutte dienstknecht (Luc. 17:10), maar wie de consilia opvolgde, ontving meerdere waardigheid (Pastor Hermas; Ambrosius; de officüs; Hieronymus; Greg. Nazianzus e.a.). Consilia waren bijv. het vasten, de ongehuwde staat, het afgezonderd leven. Wie deze nakwam, kreeg daardoor verdiensten.

Augustinus nam dat over. Volgens hem waren er lagere plichten voor de leeken en hoogere voor den clerus. De hoogste waren die van den monnik. Zoo ontstond er een dubbele moraal. Langzamerhand rangschikte men onder consilia 1°. de gelofte van kuischheid; 2°. de gelofte der armoede (Matth. 19 : 21; 1 Cor. 9 : 14) en 3°. de gelofte der gehoorzaamheid (Matth. 17 : 24).

De goede werken van iemand, die de consilia opvolgde, hadden zonde-uitdelgende kracht'niet alleen voor den persoon, die ze verrichtte, maar ook voor anderen. Cesartus van Arles sprak het volgende uit: alzoo moet gij u gedragen broeders, dat uw verdiensten niet alleen voor uzelven voldoen, maar ook voor andere zondaren van deze wereld vergeving kunnen aanbrengen. Deze vergeving gold toen nog maar de peccata venatla, d. i. de vergefelijke zonden en niet de peccata mortalta d. i. de doodzonden. Uit de valsche leer der dubbele moraal ontstond dus de leer van de overtollige goede werken, waarvan de kerk de uitdeelster was. En zoo kwam de leer van den aflaat in de kerk. De Reformatoren hebben zich eenparig tegen de leer van de dubbele moraal gesteld. Er is volgens hen maar één wet, die door allen zonder onderscheid moet gehoorzaamd worden. Niemand kan de geboden der wet volkomenlijk houden. De beste werken zijn nog

onvolmaakt. Van overtollige goede werken kan geen sprake zijn. Calvijns Institutie, III, 56, 57. Heidelbergsche Catechismus, vraag 14 en vraag 115. Luth. Gerhard III, 178. [ 24.

Raadsel. De gelijkenis of parabel, waarvan de Oosterling zich gaarne bedient, verkrijgt spoedig iets min of meer raadselachtigs, zoodat het Hebreeuwsche woord voor raadsel, chidah (d. i. iets dat ineengekronkeld is, een knoop, die losgemaakt moet worden) ook gebruikt wordt van spreuken en gelijkenissen, welker beteekenis slechts de verstandigste kan begrijpen. Sedert de oudste tijden was het opgeven en oplossen van raadselen bij de Israëlieten en de andere Oostersche volken, met name bij de Arabieren, zeer geliefd, vooral op feestmalen; men denke aan de geschiedenis van Simson (Richt. 14:12 v.v.). De raadsels behooren tot de lagere trappen der kunstuitingen, in die mate, dat de literatuur van sommige laag ontwikkelde volken — o.a. de bewoners der Mattalanden — zoo goed als uitsluitend uit raadsels en volksverhalen bestaat, meestal in rythmischen vorm. Het volksraadsel kan bogen op een reusachtige oudheid en verspreiding. De beschrijvende raadsels zijn verreweg de schoonste. De verhalende raadsels zijn somtijds zeer ingewikkeld. De oplossing omvat niet zelden een vrij groot aantal personen of zaken en raakt zelfs historische gebeurtenissen, veelal verhalen uit het Oude Testament. Zoo b.v. „De kist, die leefde, — Die er in zat beefde; — De kist, die at, — Die er in zat, — Bad". — (Jonas in den visch). Tot de groep van raadselverhalen dienen ook gerekend te worden het overgroot aantal raadseltjes, waar personen of zaken naar het getal der beenen of pooten tweebeen, driebeen enz. genoemd worden. Zoo b.v.: „Tweebeen zit op driebeen en trekt aan vierbeen" (Het melkmeisje). De eigenlijke, direkt-vragende raadsels werden door Guido Gezelle kwelvragen genoemd. Het zijn inderdaad kwelraadsels, in zoo ver zij den gevraagde trachten te verschalken door hun algemeene bewoordingen, door hun listig bijgevoegde gedachten, hun afleiden van de aandacht, hun verrassende zinspelingen, hun opzettelijk maskeeren van den juisten klemtoon, hun dubbelzinnige woordopvatting. Tot de meest bekende behoort wel het raadseltje van keizer Kareis hond: „Keizer Karei had een hond — Hoe heet keizer Kareis hond ?" De naam van den hond was Hoe. Let hier ook op het slotrijm en op de allitteratie. Overoud is ook het volgende raadselrijmpje, waarbij de oude versmaat weer even onmisbaar is, als bij dat van keizer Kareis hond: „Amsterdam, die groote stad — met hoeveel letters spelt men dat ?" (Met drie: dat). Tot de letterraadselsbehoort: „Wat staat er midden in den hemel?" (De letter m). In de raadselsprookjes, ook bij ons in ruime mate bekend, huwt de koning veelal zijn dochter uit aan dengene, die bepaalde raadsels kan oplossen, of wel raadsels opgeeft, die niemand raden kan. Sommige raadsels zeggen den oplosser een belooning toe; wellicht berustte dit voorheen op werkelijkheid. [ 30.

Raadsheer, a. in de Schrift van raadgevers van vorsten (Ezra 7 : 14; Dan. 3 : 24) en, ook van Jozef van Arimathea, lid van het Sanhedrin