is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

668 RAAMSES

best kenden een „gematigd Calvinist". Zijn aandeel aan de Nederlandsche afscheiding bleef hem een oorzaak van blijdschap. (Officieele Stukken, bl. 531). Het gewicht beseffend van de in Landverhuizing genoemde Christelijke opvoeding, pleitte en streed hij eerst aanhoudend voor de „parochiale" school, van de kerk uitgaand, onder haar toezicht. Toen dit ideaal onuitvoerbaar bleek, rustte hij niet aleer hij „Hope College" vestigde als „het anker zijner hope" („opdat het niet ten staarte mochte worden"), een inrichting speciaal tot kweeking van onderwijzers, predikanten en zendelingen. Betreffende de zending bleef hij getrouw aan het ideaal in Landverhuizing genoemd, en ijverde er voor met woord en daad, zelfs tot het leggen van de kiel van een schip, om Evangelieboden te brengen tot de eilanden der zee.

Het was zijn ijver in dezen die nog steeds voortleeft en vruchten afwerpt, niet alleen in de missie der Gereformeerde kerk, maar ook in die der Christelijk Gereformeerde groep, tot heilige jalousie opgewekt in dezen. Ook met de pen arbeidde hij tot heil zijns volks, eerst door middel van De Hollander en toen dit weekblad een Trojaansch paard bleek te zijn, door middel van het in 1866 opgerichte kerkelijk weekblad De Hope onder het motto: „voor maatschappij, kerk en school".

Soms gevoelde Van Raalte zich diep ontmoedigd. Hij leed onder gebrek aan waardeering en soms bittere critiek. Eenmaal koesterde hij het voornemen naar Zuid-Afrika te trekken. Hoewel heel wat land bezittend verkeerde hij soms in finantiëelen nood vanwege de geldcrisis in het midden der vorige eeuw in de Vereenigde Staten, en omdat het beloofde traktement van $ 600 per jaar slecht inkwam. Zelfs had hij groote moeite om de nieuwe kerk te Holland voltooid te krijgen, ook ai was die (in 1854) uitbesteed voor de betrekkelijke kleine som van $ 1790 voor alle buitenwerk, met uitsluiting van de ramen en den 60 voet hoogen toren. Nog steeds is deze kerk, in „colonial styie" een der sieraden van Holland, en Van Raalte's blijvend monument.

De moeilijkheden van zijn rusteloos leven, zware verantwoordelijkheid en vele teleurstellingen, maakten Van Raalte vroeg oud. Hij was trouwens nimmer sterk. Zijn machtige geest huisde in een zwak lichaam. In 1867 legde hij zijne bediening neder als leeraar der „Eerste Gemeente" te Holland. Teleurstelling betreffende het planten eener nieuwe kolonie in den staat Virginië, vooral de dood zijner geliefde gade (een waardige predikantsvrouw), in den zomer van 1871, met den in den herfst van dat jaar geweldigen boschbrand, die Holland bijna geheel in de asch legde, verhaastte de slooping zijns aardschen tabernakels. Hij fleurde wat op — toen de kolonie in 1872 haar zilveren jubileum vierde en hij een gedenkrede uitsprak. Zijn levensavond was somber, ofschoon niet zonder lichtstralen. In den morgen van 7 November 1874 ging Van Raalte de ruste in, in volle verzekerdheid des geloofs een „man krachtig in woorden en werken", gelijk een gedenksteen en de bovengenoemde „Van Raalte-kerk" (9de str.

— RABAUT

Christelijk Gereformeerde gemeente), het uitdrukt. Ook van de zijde dergenen die kerkelijk niet met hem medegingen wordt hij terecht genoemd en geroemd.

„Niemand die het volk beter kon leiden dan Van Raalte. Indien hij niet een man was geweest met zulk een beslistheid van karakter, met zulk een ernst der ziel, met zulk een bijzondere energie, met zulken vasten wil, met zulk een bezielend geloof, dan ware de geheele nederzetting mislukt". (Gereformeerd Am. II, bl. 79).

Zijn organisatorisch talent, zijn bekwaamheid om met anderen samen te arbeiden, zijn beslist vasthouden aan de Belijdenis, historisch de erfenis der Nederlandsche Gereformeerden geworden, deed hem uitsteken boven Scholte en was o.a. de oorzaak waarom niet alleen zijn geest nog steeds leeft onder ons, maar ook zijn werk nog stand houdt en zich gestadig uitbreidt. [34.

Raamses. Terwijl in Gen. 47 : 11 sprake is van een „land Raamses", dat blijkens vs 6 betzelfde moét geweest zijn als het land Gosen, wordt in Exod.'l : 11, 12 : 37 en Num. 33 : 5 gesproken van een stad Raamses, die dan volgens de beide laatste plaatsen ten Westen van Sukkoth moet hebben gelegen. Blijkens Exod. 1 : 11 is dit een van de „voorraadsteden", bij wier bouw de Israëlieten tot dwangarbeid gedwongen werden.

Dit Raamses, waarvan Ra'mësjsjës de juistere spelling zou zijn, zal wel een afkorting zijn van pr R'-ms-sw = huis (of tempel) van (farao) Ramses en is diensvolgens dezelfde stad als het pr R'-ms-sw, dat in de Egyptische geschriften herhaaldelijk genoemd wordt als de residentie van Ramses II (1292—1225 v. Chr.). Daar echter Israëls uittocht waarschijnlijk in het midden der 15de eeuw heeft plaats gehad en net in Exod. 1 : 11 verhaalde daaraan noodzakelijk in tijdsorde voorafgaat, staan we hier voor een anachronisme d. w. z. de schrijver heeft stad en land genoemd met een naam, dien ze eerst in zijn tijd droegen zonder zich om de historische feitelijkheid te bekommeren.

De stad moet gelegen hebben in het Oostelijke gedeelte van de Nijldelta. De juiste ligging is nog niet zeker vastgesteld. Voorloopig heeft de gedachte van den Engelschen Egyptoloog Flinders Petrie, die haar zocht onder den huidigen ruïnenheuvel teil Rötab, de meeste waarschijnlijkheid. Zie diens Hyksos and Isr. cities (1906) bl. 28 v.v.; ook Garrow Duncan, The exploration of Egypt and the Old Testament (1909) bl 167 v.v. [ 3.

Rabaut (Paul), predikant bij de „kerken in de woestijn" geboren 1718 te Bédarieux bij Montpellier. 1743 predikant te Nimes, woordvoerder onder de Gereformeerden in Frankrijk. In de dagen der vervolging onder Lodewijk XV was hij de raadsman der Gereformeerden. Hij kreeg emeritaat in 1785, werd in 1793 gevangen genomen, kwam in 1794 weder vrij en stierf 25 September van dat jaar. Rabaut was geen bestudeerd, althans geen wetenschappelijk, man, maar hij was een man vol liefde en ijver voor