is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

716

REMONSTRANTEN

dan met inspanning van alle krachten haar levensbestaan kunnen handhaven. Bewonderenswaardig waren de trouw en de moed van sommige predikanten en gemeenteleden. Aan tal van gevaren stonden de predikers bloot, die heimelijk de Remonstranten wilden troosten en de sacramenten bedienden.

Wtenbogaert, de ziel van de opgerichte Broederschap, zat middelerwijl niet stil. De tweede vergadering, die in het Jaar 1621 werd gehouden, werd door hem geleid. Op deze vergadering grepen het onderzoek en de openbaarmaking van de geloofsbelijdenis plaats. Sommigen kwamen in verzet. Volgens hen had men alleen met de Heilige Schrift te maken en mocht men naast haar niets stellen. Dit waren de scherp-geteekende individualisten onder hen. Met deze confessie bedoelde men natuurlijk niet een band der consciëntie te hebben, geen „pale der religie", geen regel des geloofs. Wel trad de belijdenis in de plaats van de Remonstrantie. Feitelijk werd op deze wijze de Remonstrantsche Broederschap overgezet uit de enge perken van een enkel leerstuk in de wijde ruimte van Remonstrantsche opvatting van geheel het Christendom.

Maar in de practijk kreeg de confessie almeer een bindend karakter. Moeilijk kan men loochenen, dat in deze Remonstrantsche belijdenis iets ligt van een heerschappij.

Temidden van allen druk en tegenspoed kwam nu voor de Remonstranten in het rampjaar 1623 de voor dezen zoo treurige conspiratie tegen Prins Maurits. In een schandelijken aanslag op 't leven van den Stadhouder hadden de zonen van Oldenbarnevelt ook eenige Remonstranten betrokken, waaronder de zoo beruchte ex-predikant van Bleiswijk, Slatius. Gelukkig, de beraamde aanslag mislukte, alles lekte uit, maar de verontwaardiging tegen al wat Remonstrantsch was, werd er in den lande niet minder door. Algemeen werd heel dit werk den Remonstranten in de schoenen geschoven. Toch houden dezen steeds vol: „De Broederschap had met de conspiratie volstrekt niets gemeen". Maar in 't Remonstrantsche kamp was niettemin de verslagenheid groot. Velen hielden het verlies en de vernedering der Broederschap voor irreparabel. Allerwegen begon hun aanhang te verloopen. Haat en smaad grijnsden hen van alle kanten aan. Hun luister en glans waren zij kwijt. Toch, een krachtige kern bleef over. Hun groote mannen stonden pal. De geestige Paschier de Fijne, het ijsvogeltje, preekte onverschrokken voort en kwam overal gemeenten en predikanten opbeuren.

Inplaats dat men den moed verloor, sloot men zich zelfs vaster .aaneen. De Broederschap werd in classes verdeeld en men regelde de bediening der gemeenten. Ook de dood van Prins Maurits schonk den Remonstranten moed. Zij herademden. Niettemin, al was Frederik Hendrik een zachtzinnig man, de plakkaten tegen de Remonstranten werden niet opgeheven, integendeel, op scherpere handhaving werd zelfs aangedrongen. Langzamerhand verslapten echter de plaatselijke Overheden in de executie der plakkaten. Een voor de Remonstranten mildere geest kreeg al meer de overhand.

Het jaar 1631 werd dan ook het groote keerpunt. In den nacht van den 19den juli vertieten zeven Remonstranten, op Loevestein gevangen gehouden, hun niet zonder opzet ongesloten kerker. In 1631 werd opnieuw een algemeene vergadering gehouden. De tijdelijke bediening der gemeenten kon thans in een vaste worden omgezet. Zoo werd de kroon gezet op het moeizaam werk van tal van jaren. Tevens werd de vurige wensch van den grijzen leider Wtenbogaert door de oprichting van een Remonstrantsch seminarium vervuld (1644). Episcopius werd de eerste hoogleeraar. De lessen werden met zeven leerlingen geopend.

Achtergesteld bij de gevestigde kerk, lang nog in hun vrijheid bedreigd, teruggedrongen uit de toongevende wereld, moesten de Remonstranten veler belangstelling inboeten. Arminiaan-zijn gold nog steeds als het inbegrip van alle boosheid. Toch konden ze door hun groote geleerden en geestverwante staatslieden geduchten invloed uitoefenen. Over 't algemeen werd echter de omwenteling van 1795 met geestdrift door de Remonstranten begroet. De grieven, welke zij nog steeds hadden, werden door de Nationale Vergadering weggenomen, daar de val van de bevoorrechte kerk hun vrij-wording werd.

In den aanvang der 19de eeuw liep het verder bestaan der Broederschap ernstig gevaar. Reeds was de kweekschool opgeheven. Maar dan stijgt weer de diep-gedaalde lijn, vele Hervormden kwamen over, wat tot de oprichting van nieuwe gemeenten aanleiding gaf. Beroemde mannen schitterden weer aan hun seminarium: A. des Amorie van der Hoeven en C. P. Tiele.

Merkwaardig was de viering van het 250-jarig bestaan der Remonstrantsche Broederschap op 1 en 2 Juni 1869. Erkend werd, dat de Broederschap als een heimwee-kranke steeds het verlangen gevoed had naar hereeniging met de Hervormde Kerk.

Dieper was de feesttoon bij de herdenking van het 300-jarig bestaan der Remonstrantsche Broederschap. Beleden werd, dat de moderne theologie van omstreeks 1860 een kentering heeft gebracht in het gansche leven der Broederschap. Uitgesproken werd, dat kleine dorpsgemeenten waren uitgestorven, maar de Broederschap een toevluchtsoord voor de Modernen is geworden. Maar ook werd nadrukkelijk verklaard: „Van een terugkeer in den schoot der kerk is minder dan ooiï sprake".

Nog steeds stellen de Remonstranten zich ten doel „volgens-het beginsel van vrijheid en verdraagzaamheid en op den grondslag van het Evangelie van Jezus Christus het godsdienstig leven te bevorderen".

Tegenover de oude Remonstranten handhaven wij onverzwakt de opvatting der Gereformeerde waarheid, zooals zij door de Dordtsche theologen is omschreven. In de zaak der Remonstranten ging het dan ook om de meest vitale belangen van religie en kerk.

Het Remonstrantisme miste ten allen tijde en in alle landen, waarin het zijn intocht deed en aan invloed won, religieuze diepte en heeft allerwegen den weg gebaand voor rationalisme,; naturalisme, socinianisme en ten slotte voor