is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

720

RENTE

Genootschap haar beslag kreeg, zijn een moeilijk tijdperk voor hem geweest. Maar ook gedurende dien tijd verloochende hij den broederband met de geschorsten niet. Op 18 December 1886 zond hij openlijk bericht aan den kerkeraad van zijn medegaan met de reformatie. Als prediker was hij bij velen geliefd. Eenvoud en klaarheid waren de kenmerken zijner predikatiën. Zij droegen een sterk dogmatisch karakter, en handelden bij voorkeur over de tegenstelling van zonde en genade. In de serie UU de Diepte is een enkele preek verschenen, en na zijn dood werd een bundel leerredenen van hem uitgegeven onder den titel: Jacobs Worsteling. [ 30.

Rente is de naam, die aan de vergoeding voor de diensten van verschillende factoren in het productieproces wordt gegeven.

Zoo spreekt men van grondrente ter aanduiding van de vergoeding voor de diensten, door den bodem verleend.

Zoo gewaagt men van kapitaalrente ter typeering van de vergoeding van de diensten van het kapitaal (genomen ln economischen zin als vrucht van vroegeren arbeid ten dienste van de productie).

In het algemeen spraakgebruik wordt aan bet woord rente de gedachte van de vergoeding voor het uitleenen van een geldsom verbonden.

Over de vraag of het vragen van een dergelijke vergoeding geoorloofd is, is veel gestreden. De geschiedenis van het renteverbod dateert reeds van de eerste eeuwen der Christelijke jaartelling, toen de kerkelijke wetgeving het leenen tegen rente met zware straffen bedreigde, in 1311 werd op het concilie te Vienne als straf op overtreding gesteld: uitsluiting van het Avondmaal, ontneming van het recht een testament te maken en weigering van een kerkelijke begrafenis.

Na dit concilie werd de verplichting om bij leening geen rente te bedingen, een onbestreden stelling in theologie en rechtswetenschap. In de 15e eeuw werd ook de strijd aangebonden tegen de bijzondere instituten, die het opkomend verkeer gebruikte ter ontduiking van het renteverbod. Humanisten en Reformatoren namen in de 16e eeuw grootendeels nog den ouden gedachtengang over. Calvijn echter verdedigde in een beroemd traktaat het geoorloofde der rente, juristen als Molinaeus en Salmasius gaven op zijn klemmend betoog een kostelijke aanvulling.

De Roomsche kerk liet zich evenwel niet van haar standpunt afbrengen. De bul Vix pervenU van 1745 wijst onvoorwaardelijk de rente af als een in zichzelf verwerpelijk instituut. In de bui wordt o.m. gezegd:

„Die soort van zonde, welke woeker genaamd wordt en naar haren aard plaats vindt bij leencontracten, bestaat hierin, dat men voor het leenen zelf, hetwelk uiteraard slechts teruggave vereischt van evenveel als er Is ontvangen, meer wil terug hebben dan is verstrekt; men zoekt dus boven de hoofdsom, juist ter oorzake van het leenen eenig voordeel te behalen. Alle voordeel nu, dat boven de hoofdsom uitgaat, is ongeoorloofd en woekerachtig. Om die smet uit te wisschen, laat zich ter rechtvaardiging niet

aanvoeren, dat de winst niet overdreven maar matig is, of dat hij, van wien de winst gevorderd wordt, niet behoeftig is, maar welgesteld en ook de hem geleende gelden niet ongebruikt zal laten liggen, maar te zijnen nutte zal besteden tot uitbreiding van zijn vermogen, tot aankoop van nieuwe landgoederen of tot het drijven van winstgevende handelszaken."

Openlijk is door de Roomsche kerk de oude leer nooit verlaten.

Onder de Roomsche schrijvers over het renteprobleem zijn evenwel twee hoofdstroomingen te ontwaren.

De eene groep wil water in den wijn doen. Zij leert dat de kerk nimmer een absoluut renteverbod heeft uitgevaardigd; niet op zedelijke gronden, maar door economische .overwegingen geleid heeft de kerk in vroeger eeuwen tegen de rente positie gekozen en door de veranderde economische omstandigheden is dat verzet vanzelf vervallen.

De andere groep daarentegen handhaaft met kracht haar beweren, dat voor de kerk steeds rente met woeker gelijk stond en zij daarom nooit de rente heeft goedgekeurd. Naar het oordeel dezer groep mag het renteverbod nimmer worden prijsgegeven, moet het veelmeer als het geneesmiddel bij uitnemendheid van het kranke maatschappelijk leven op den voorgrond worden gebracht.

Van de vurige tolken dezer laatste groep noemen wij Fretherr Karl von Vogelsang, leider der Oostenrijksche Christelijk-sociale partij.

Naar onze meening sluit de laatste groep zich het nauwste aan bij de aloude leer der Roomsche kerk, die op haar standpunt al zeer ver ging, toen zij ln de vorige eeuw te kennen gaf, dat wie wel eens tegen matige rente geld uitleenen, zich niet behoeven te verontrusten.

Op verschillende gronden werd het nemen van rente ongeoorloofd geacht.

Vermelden we eerst de gronden, aan de natuurlijke rede ontleend.

Het „nummus nummum non parit", (geld brengt geen geld voort) bedoelde aan te duiden de onvruchtbaarheid van het geld, die 't vragen van vrucht van een ander in den vorm van rente moest uitsluiten.

Verder wees men er op, dat bij geld niet zooals bij andere zaken te onderscheiden i» tusschen gebruik en verbruik. Wie het geld gebruikt, verbruikt het. Kan b.v. bij een huis gevorderd worden èn geld voor het gebruik èn na bepaalden tijd teruggave, bij geld is het anders: wie het geleende geld teruggeeft, heeft aan zijn volle schuld voldaan.

Dan werd aangevoerd, dat tijd een commune omnium, aan allen gemeen, was en dat daarom een vergoeding voor tjjdsverlies niet kon worden geduld.

Nog trachtte men aan te toonen, dat het leenen op rente leidde tot een opgaan in geldzaken en tot minachting van den landbouw, die als het hoogste beroep diende geëerd te worden.

De hoofdkracht in den strijd tegen de rente zocht men in een beroep op de Heilige Schrift. Meerdere uitspraken van het Oude Testament moesten dienst doen, maar vooral werd het