is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

726

RESTITUTIE-THEORIE — REUKOFFERALTAAR

gehaald in de Bijlagen tot de Handelingen der Tweede Kamer, zitting 76/77, blz. 89. De inhoud daarvan werd weergegeven in een Annexe aan de Memorie ter adstructie van het Smeekschrift om een school met den Bijbel, dat bij het Volkspetitionnement in 1878 aan Z. M. den koning werd aangeboden. Reeds toen echter vond het Restitutiestelsel geen ernstige verdediging meer. { 30.

Restitutie-theorie of de theorie der herstelling. De moderne wetenschap neemt schier algemeen aan: 1° dat de aarde veel langer moet hebben bestaan dan de Bijbel ons leert en 2° dat de orde, waarin de geschapen wezens zijn ontstaan een andere is geweest dan die in Qen. 1 genoemd wordt. Tot de pogingen om geloof en wetenschap op dit punt te verzoenen behoort ook de restitutie-theorie. Zij maakt scheiding tusschen Qen. 1 : 2 en 3 en laat aan den chaos, waarvan in vs 2 sprake zijn zou, voorafgaan al die gebeurtenissen en verschijnselen, welke de geologie meent vastgesteld te hebben. Zij vat de woorden „woest en ledig' op als de aanwijzing van een verwoesting, die door voorafgaande groote catastrofen veroorzaakt zou zijn. Met vs 3 zou dan beginnen het verhaal van de herstelling dezer verwoesting en van de toebereiding der aarde als woonplaats voor de menschheid. Men meent op deze wijze elk conflict tusschen den Bijbel en de geologie te hebben opgeheven en de letterlijke en historische beteekenis van het werk der zes scheppingsdagen te kunnen handhaven. Deze theorie is eerst vrij laat opgekomen. Door sommige theologen zooals bijv. F. Delitzsch werd zij verbonden met de voorstelling, dat de aarde aanvankelijk de woonplaats der engelen is geweest en dat tengevolge van hun val de verwoesting der aarde plaats heeft gehad. Zonder deze bijgedachte werd de theorie ook nog gehuldigd door Chalmers, Buckland, kardinaal Wisemann en enkele anderen, maar verder vond ze niet veel aanhangers. Nu zijn er in den tegenwoordigen tijd ook besliste Gereformeerde theologen, die meenen, dat er scheiding moet gemaakt tusschen Gen. 1 :2 en 1 : 3. 0.a. Bavinck, die op blz. 529/30 zijner Dogmatiek2 de gronden voor deze meening opsomt. Maar alle Gereformeerde theologen verwerpen de gedachte, dat de aarde hetzfl dan wegens den val der engelen hetzij om een andere oorzaak zou zijn verwoest. „Woest en ledig' wil niet zeggen, dat de kosmos een chaos was geworden, maar beteekent, dat de aanvankelijk geschapen aarde nader moest worden gevormd en deze toebereiding wordt ons dan verder in Qen. 1 en 2 verhaald. [ 25.

Retabel. Een achter-opzetstuk van een altaar, van steen of hout vervaardigd, dat diende om daarop reliekschrijnen te plaatsen. Na de Xle eeuw won de reliquieën-vereering veld en kwam de wensch hoe langer hoe meer naar voren om aan deze heilige voorwerpen een voor allen zichtbare plaats te geven. Zoo behoorden in de XHIe eeuw reliquieën tot de gewone stukken, waarmede het altaar was bezet.

Kleine reliquieën kon men zonder bezwaar op het altaarblad plaatsen, maar voor stukken van grooteren omvang moest men een betere plaats zoeken, en zoo ontstonden de retabelen. Deze

waren öf met beeldhouwwerk öf met schilderwerk versierd, dat voorstellingen uit de gewijde geschiedenis of uit de levens der heiligen bevatte. In vele gevallen dienden de reliekkastjes, die gewoonlijk kunstig bewerkt waren, zelve tot versiering van de retabelen. [ 33.

Retraite, 't Woord beteekent oorspronkelijk terugtocht, aftocht; vandaar: het zich terugtrekken, het zich afzonderen van de wereld, b.v. door Roomsche geestelijken. Met name wordt er door aangeduid het zoeken van een stille wijkof rustplaats in de eenzaamheid, eenmaal per jaar, zoowel door „leeken" als door depriesterschap, om zich door onthouding voor eenigen tijd geestelijk te oefenen. In Amerika, en Europa, ook in ons vaderland, stichtte de Roomsche kerk zg. retraite-huizen,:die den geloovigen gelegenheid bieden, een tijdlang de opwinding van het moderne leven te ontvluchten. Rome's voorbeeld vindt ook onder Protestanten navolging. Zoo hebben b.v. de Woodbrookers (zie het art.) een Retraite-huis gesticht te Eibergen [ 20.

Reuchlin. I. Johann Reuchlin geboren 1455 in Pforzheim, familielid van Melanchton, studeerde in Freiburg, daarna in Parijs, waar hij met de studie van de Grieksche taal aanving, daarna te Basel en eindelijk te Orléans en Poitiers. In Frankrijk studeerde hij rechten. Sinds 1481 leeraar te Tübingen. In 1519 hoogleeraar in het Grieksch en Hebreeuwsch te Ingolstadt, 1521 te Tübingen, gestorven 1522 in Liebenzell. Hij was humanist, en had omgang met Lorenzo de Medicis, Franz von Sickingen en U. v. Hutten. Als filoloog maakte hij grooten naam door zijn Latijnsche Vocabularius brevlloquus en door de uitgave van vele classieken. Zijn grootste verdiensten lagen op het gebied van het Hebreeuwsch. Uitgezonderd Pellikan's zeer kleine Hebreeuwsche grammatica heeft Reuchlin de eerste Hebreeuwsche spraakkunst geleverd met zijn lexicon Rudimenta hebraïca. Zeer geleerd was zij n boek de accentlbuset orthographta llnguae hebraïcae. In den strijd met den gedoopten Jood Pfefferkorn nam Reuchlin het op voor de Rabbinlstische litteratuur. De beroemde Eptstolae virorum obscurorum, vervaardigd door Crotus Rubianus en Ulrich von Hutten zijn een venijnige satyre op de tegenstanders van Reuchlin. Reuchlin heeft zich nooit bij de Reformatie aangesloten. Door zijn angstig vasthouden aan het oude bleef hij in de kerk en hoewel hij in zijn boek de arte praedicandi een poging aanwendde, om uit de monniken Evangetisch-gezinde mannen te maken, door ze naar de Heilige Schrift te verwijzen, en, hoewel hij zich heel vrije uitingen vooroorloofde tegen den paus en het pauselijk regime, bleef hij, die hij altoos geweest was: de geleerde Humanist. [ 24.

II. Christoph Reuchlin 1660—1707, hoogleeraar te Tübingen, een krachtig prediker, die door vroomheid uitmuntte; was het piëtisme toegedaan, maar waakte er voor, dat de piëtisten zich afscheidden van de landskerk.

Reukoffer altaar, het moest gemaakt worden van sittimhout (akazia); één el lang en breed, twee ellen hoog; vierkant met vier hoornen; overtrokken met zuiver goud; en met een gouden krans er om heen; onder dezen krans moesten twee gouden ringen worden aangebracht,