is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

730 REVEREND

Wilcox zou in Januari 1817 Qenève nog niet veriaten, of Robert Haldane, een Schotsch Congregationalist, zou er reeds binnentreden. Haldane, die in zijn vaderland aan een groote opwekking meewerkte, zou zijn stempel op heel het Réveil drukken. Ofschoon Haldane bij zijn komst besloten was, het kerkelijk vraagstuk, dat hem in Schotland zooveel moeite bezorgd had, te laten rusten, wordt de ontwikkeling in Qenève langzamerhand dezelfde als die van het Congregationalisme. De naaste aanleiding tot afscheiding was echter het beruchte Reglement van 3 Mei 1817, door het Predikantencollege uitgevaardigd, dat met het stereotype: „Wij beloven, ons te zullen onthouden, enz." aanving, en dat Guers, Pyt en Qonthier weigerden te onderteekenen. Het eerste practische gevolg van dit Reglement was diametraal tegenovergesteld aan de bedoeling ervan: het voerde de tegenpartij tot separatie. Op 18 Mei van dat jaar kwamen de vrienden, na biddende overweging, tot de overtuiging, dat het hun plicht was een gemeente te vormen, bestaande voorzooveel mogelijk uitsluitend uit ware geloovigen, en na onderlinge onderzoeking des geloofs stichtten zij een vrije gemeente; later, naar de wijk waarin hun kerkgebouw kwam te staan, meest bekend als l'Eglise du Bourg-de-Four.

Wat echter de doorwerking van het Réveil zeer belemmerde, was het feit dat vreemdelingen als Wilcox, Haldane en Drummond de beweging leidden. Het Geneefsche patriottisme voelde zich hierdoor gecompromitteerd en signaleerde het Réveil als Methodisme. Toch had men in den grond der zaak met dit woord den rechten naam gevonden. Het Réveil immers bedoelde niet alleen het herstel van de Christelijke grondwaarheden, maar ook herstel van het individueele geloofsleven.

In 1820 smolten de overgebleven Moraviërs samen met deze vrije gemeente, en werkten mee tot verzachting van het strenge Calvinisme van Wilcox en Haldane. Wat te gemakkelijker ging, sinds den éden September weer een vreemdeling uit Londen, Anderson, was aangekomen, die den vrienden den raad gaf, niet de Uitverkiezing tusschen den zondaar en het kruis te stellen. Die leer der verkiezing, voor Malan een fundamenteel stuk des geloofs, werd dan ook de oorzaak, dat deze, niettegenstaande zijn beginsel om niet met de nationale Kerk te breken, noodgedrongen tot oprichting van een eigen kerk over ging: de Getuigenis-kapel. Bovendien verwierp hij als streng Presbyteriaan het beginsel van z.g. teruggang tot de Apostolische kerk, gelijk zich dat in T'Église du Bourg-deFour belichaamde.

Terwijl sedert 1830 de kerk van Malan langzamerhand verliep, werd in 1831 de Evangelische Maatschappij opgericht, die tusschen kerk en Dissenterdom positie nam. Hieruit groeide niettemin spoedig weer een gesepareerde kerk, met name de Congrégation de 1'Oratoire. In 1849 constitueerden zich de congregaties du Bourg-de-Four en de 1'Oratoire alsook het grootste gedeelte van Malan's gemeente tot een Vrije 'Evangelische kerk. Malan sloot zich niet aan, doch werd meer en meer, evenals Whitefield, evangelist.

— RÉVILLE

Haldane was 20 Juni naar Montauban vertrokken, waar hij met de professoren der Faculteit, o.a. met Daniël Encontre, vriendschappelijk omging. Ook in Frankrijk waren het echter de Moraviërs, die de eerste zaden van het Réveil hadden uitgestrooid, en Evangelisten van het Geneefsche Réveil als Henry Pyt, Arie Post en Felix Neff bevestigden dat werk. Eveneens zonden de Wesleyanen zendelingen naar Frankrijk.

Fransche pasteurs brachten het Fransch-Zwitsersche Réveil naar Nederland over. Echter, evenals te Geneve was ook het Nederlandsch Réveil oorspronkelijk een zuivere nationale beweging. Hier hadden Calvijn en De Labadie een blijvenden invloed uitgeoefend, en ook hier was in het Réveil een Calvinistisch en een Labadistisch element te onderscheiden. Het was de antiek-Gereformeerde Nicolaes Schotsman, die door het oprichten van zijn „Eerezuil" voor de Dordtsche Synode, in 1819 reeds het Gereformeerde beginsel weer opwekte. Tegenover zijn Calvinisme staan dan de vele Piëtistische conventikelen door oefenaars geleid. Doch gelijker voor het Geneefsch Réveil een signaal tot den strijd noodig was in een brochure van Empeytaz, zoo voor het Nederlandsche in Da Costa's Bezwaren tegen den geest der eeuw. Dat was een donderslag, waardoor allen uit den slaap opgeschrikt werden om niet weer in te dommelen. Whitefield was voor Engeland, Malan voor Genève, Da Costa voor Nederland, de held van het Réveil. De glanspunten van deze Opwekking zijn voorts de „meetings", die onder den naam van Vergadering der Christelijke Vrienden, tweemaal per jaar te Amsterdam in het Casino op het Rusland werden gehouden. Zij werden aan practische doeleinden gewijd. De meer stichtelijke samenkomsten waren minder sterk bezocht en daardoor meer intiem. Gewoonlijk werden zij „Réunions" genoemd. Maar geen piëtisme of methodisme vond genade in de oogen der kerkelijke partij, wier geloof zich belichaamde in Wormser. Uit zijn opstel over De onkerkelijke Rigting is de vaak geciteerde voorspelling: „De glans der tegenwoordige opgewektheid, zoo zij bij haar Christelijke richting niet tevens' een kerkelijk karakter aanneemt, is niet in staat voor mij de donkerheid te bedekken van de toekomst, die Kerk en Christendom beide in ons vaderland, ook door haar, tegemoet gaan". Inderdaad, de onkerkelijkheid van het Reveil heeft zich gewroken. Zij was zijn Achilleshiel, en deed zelfs de Vergadering der Christelijke Vrienden voor altijd uit elkaar gaan. [ 30.

Keverend, van het Latijnsche reverendus, eerwaardig. In Engeland is reverend (sir), eerwaarde (heer), de titel van geestelijken.

Réville (Albert) geboren 4 November 1826 te Dieppe, overleden October 1906 te Parijs, studeerde te Genève, later te Straatsburg, waar hij de Duitsche Bijbelcritiek leerde kennen. Na hulpprediker te zijn geweest te Nimes, werd hij predikant te Luneray, en in 1851 bij de Waalsche Gemeente te Rotterdam. In 1872 legde hij deze betrekking neer om naar Frankrijk terug te keeren, waar hij spoedig hoogleeraar werd aan het Collége de France. Leider van het modernisme, verdedigde hij tegenover Allard Pierson